Ma 2 – Vijf maskers – Vrouwe Emers groote strijd

brons: oorspronkelijk Stadschouwburg, Amsterdam,
na diefstal Sidhevrouw (vier resterende) Rijksmuseum, Amsterdam
gips: Hildo Krop Museum, Steenwijk

1922

Sidhevrouw Fand
Cuchulain – Emer – Eithne Inguba – Bricriu

26/ 29/ 39/ 26/ 34 cm

‘Vrouwe Emers groote strijd’, een Nederlandse bewerking van een Keltisch toneeldrama van de Ierse dichter en toneelschrijver W.B. Yeats, ging onder regie van Albert van Dalsum in première  op 2 april 1922 in de Hollandsche Schouwburg  in Amsterdam. De pers had zijn reserves bij de voorstelling, maar reageerde wel enthousiast op de vijf maskers die Hildo Krop voor de voorstelling had gemaakt.
Het Keltisch drama van Yeats is niet zo eenvoudig. De handeling  voltrekt zich rond het lichaam van Cuchulain. Drie vrouwen spelen daarbij een rol: de echtgenote Emer, zijn minnares Eithne Inguba en Fand, een vertegenwoordigster van de Side vrouw, een volk dat op de bodem van de zee leeft. Cuchulain is niet dood, maar zijn ziel bevindt zich, na een gevecht met bovennatuurlijke wezens, elders.  Het lukt Emer niet zijn ziel terug te roepen. Ook de pogingen van Eithne Inguba hebben geen succes. Dan verschijnt Bricriu ten tonele, de God van disharmonie, die de geest van Cuchulain tijdelijk overneemt. Hij laat Emer zien hoe Cuchulain wordt meegelokt door de verleidelijke dansende Sidhevrouw Fand. Fand zal alleen Cuchulain laten gaan als Emer de hoop opgeeft dat Cuchulain ooit nog bij haar terugkeert. Wanneer zij dat doet herleeft Cuchulain inderdaad. Hij vertrekt zonder aarzeling met zijn minnares, Eithne Inguba.

cast/medewerkers Vrouwe Emers groote strijd, 1922
rechtsboven Albert van Dalsum – linksonder Lili Green

Krop liet zich bij het maken van de vijf maskers voor Vrouwe Emer vooral inspireren door het bewegelijke karakter en de mogelijkheden van de Japanse Noh-maskers. De maskers zijn sterk gestileerd, maar geven de personages  wel een duidelijke karakteristiek.
Krop maskers werden al snel de best denkbare, moderne toneelmaskers genoemd. In 1929 kregen ze dan ook een tweede leven. Yeats kreeg foto’s van de maskers onder ogen. Bij de oorspronkelijke theaterproductie van Yeats, met de titel ‘The only Jealousy of Emer’, bestemd voor voorstellingen in kleine zaaltjes, waren de spelers uitgerust met simpele maskers. Krops maskers daar en tegen waren expressievol en voor een schouwburg ontworpen. Yeats was zeer enthousiast en vroeg Krop of hij de maskers zou kunnen lenen. Hij wilde de maskers gebruiken voor een nieuwe productie. De dichter werkte het stuk om tot een drama in proza, dat hij de titel gaf ‘Fighting the Waves’. Het geheel werd begeleid met speciaal voor het stuk gecomponeerde muziek van de Amerikaanse componist George Antheil. De première  vond plaats op 21 augustus 1929 in het Abbey Theatre in Dublin. Yeats droeg zijn bewerking op aan Krop.

Fighting the waves in het Abbey Theatre, Dublin – 1929

De maskers werden helaas nooit teruggestuurd naar Nederland. In 1951 gingen ze verloren bij een brand in het Abbey Theatre. Gelukkig heeft Krop deze maskers ook in brons laten afgieten. Deze koppen waren voor het eerst te zien bij een overzicht van het oeuvre van Krop bij de Amsterdamse kunsthandel De Boer. In 1959 werden ze, bij de vijfenzeventigste verjaardag van Krop geschonken aan de stad Amsterdam. Ze werden geplaatst in de Stadschouwburg. Nadat de bronzen Sidhevrouw bij een inbraak in juni 2000 werd ontvreemd werden de vier resterende beelden overgebracht naar het depot van het Amsterdam museum. Tegenwoordig hebben ze een plaats op de afdeling Moderne kunst van het Rijksmuseum. De originele gipsen maskers bevinden zich in de collectie van het Hildo Krop Museum in Steenwijk.

De maskers worden beschouwd als een van de hoogtepunten in het oeuvre van Hildo Krop.

bronnen: Hildo Krop, Dans- en Toneelmaskers, ICK, Steenwijk, 2010
Dans- en toneelmaskers van Hildo Krop, Jong Holland, 1988

foto’s: Hildo Krop Museum, Steenwijk