Tagarchief: krop-sleef w.f.

V 7 – Moeder en kind

verblijfplaats onbekend

1915

foto: archief Hildo Krop Museum, Steenwijk

reliëf, moeder en kind met maskerkop

eikenhout, 50 cm

Hildo Krop was in 1914 getrouwd met Wilhelmina Frederika Sleef. In 1915 werd hun eerste kind geboren, een dochter: Helen. In datzelfde jaar maakte Krop dit eikenhouten reliëf van een moeder met kind. We mogen er van uitgaan dat dit werk voorkomt uit zijn gevoelens als jonge vader voor dit nieuwe leven.

V 61 – Mien Krop-Sleef – Vrouw van de kunstenaar – Steenwijk

particuliere collectie
Hildo Krop Museum, Steenwijk

1927

foto: collectie Hildo Krop Museum
foto: Wendingen 1931 nr. 5,6

terracotta,  8,3 cm

gips, 8,3 cm

Dit is het tweede portret dat Hildo Krop van zijn echtgenote Wilhelmina Frederika Sleef maakte. Het eerste portret (V13) dateert van ruim tien jaar eerder.

De terracotta kop bevindt zich in een particuliere collectie. Het Hildo Krop Museum bezit het gipsen afgietsel van dit portret.

V 13 – Mien Krop-Sleef – Vrouw van de kunstenaar – Steenwijk

particuliere collectie
Hildo Krop Museum, Steenwijk

1916/17

foto: collectie Hildo Krop Museum

brons, 19 cm

gips, 19 cm

Van zijn familieleden maakte Hildo Krop verschillende portretten. Van zijn echtgenote Wilhelmina Frederika Sleef maakte hij twee portretten. De eerste, hier afgebeeld, dateert van 1916-1917.
In 1914 trouwde Krop met Mien Sleef. Krop was een regelmatige bezoeker van liederen-avonden, waar gezongen werd door amateurs. Op een van deze avonden heeft Krop Mien Sleef leren kennen. Zij was de dochter van de voorzitter van de Amsterdamse SDAP-afdeling en typograaf J.W. Sleef. De omgang met het gezin Sleef zal Krops’ politieke vorming ongetwijfeld hebben beïnvloedt . Anders dan Krop die goedaardig van karakter was, hoewel hij zeer boos kon worden, had Mien een felle en fanatieke natuur.
De bronzen kop bevindt zich in een particuliere collectie. Het Hildo Krop Museum bezit het gipsen afgietsel van dit portret.
Een tweede portret van zijn vrouw maakte Krop tien jaar later (V61).

V 15 – Hein – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

1917

brons/gips, 13 cm

Twee jaar na de geboorte van hun dochter Helen in 1917, kregen Hildo Krop en zijn vrouw Mien een tweede kind, een zoon Hein, genoemd naar zijn grootvader. Helaas zou dit jongetje niet oud worden. Nog hetzelfde jaar stierf hij. Van dit jonge kind maakte Krop zijn eerste doodsportret.
Van dit portretje is een bronzen afgietsel gemaakt en bevindt zich in een particuliere collectie.

gips, 11 cm

Krop maakte vrijwel gelijktijdig een tweede, kleiner portretje van Hein. Het gipsafgietsel van dit aandoenlijke kopje kreeg een opvallende plek in het atelier van de beeldhouwer en zou gedurende zijn hele werkzame leven daar blijven hangen.

Deze twee gipsen portretjes van Hein Krop bevinden zich nu in de collectie van het Hildo Krop Museum in Steenwijk.

bron: Hildo Krop Portretten, Wim Heij, 2011

Me 53 – Dekenkist voor de vrouw van de kunstenaar

particuliere collectie

1946-47

dekenkist - foto: loek van vlerken 28.09.2018dekenkist panelen links - foto: loek van vlerken 28.09.2018
panelen links
dekenkist panelen midden - foto: loek van vlerken 28.09.2018
panelen midden
dekenkist panelen rechts - foto: loek van vlerken 28.09.2018
panelen rechts

djatihout, 60 x 170 x 72 cm

 

Deze rijk gedecoreerde dekenkist maakte Hildo Krop voor zijn vrouw. Op de deksel van de kist staat in een sierlijk handschrift gestoken: ‘Hildo Krop dedicavit uxori carissimae AD 1948’, wat betekent: ‘Door Hildo Krop opgedragen aan zijn geliefde vrouw in 1948’.fragment; 'hildo krop dedicavit uxori carissimae AD 1948’

Op de voorzijde en zijkanten van de kist staat op een banderol de in hoofdletters gestoken tekst: “De mens staat en valt En helpt en richt zich op Wat geloof de mens ook heeft verloren De vrijheid eenmaal wordt geboren”. Deze spreuk verwijst, net als de voorstellingen op de zeven reliëfpanelen, naar de bevrijding van 1945.tekst dekenkist - foto: loek van vlerken 28.09.2018

De dekenkist werd tentoongesteld tijdens de verkoopexpositie van Kunstconsult, Amstelveen (26 september t/m 17 oktober 2018).

V 81 – Portretgroep – Steenwijk

Hildo Krop Museum,  Steenwijk

ca. 1930

portretgroep - collectie hildo krop museum - foto: loek van vlerken 10.07.2017
terracotta, 60 cm

Deze studie van een moeder met twee kinderen (Krop’s vrouw en kinderen Helen en Johan) maakte Hildo Krop rond 1930. Op het eerste gezicht lijkt het een studie voor beeldhouwwerk aan de brug bij het Olympiaplein de Lyceumbrug  (B 69), maar in 1930 was deze brug al gereed. Waarschijnlijk borduurde Krop nog wat door op het thema ‘moeder met kinderen’.

De terracotta studie bevindt zich in het Hildo Krop Museum te Steenwijk. Een eerste afbeelding van het werk werd gepubliceerd in het tijdschrift Wendingen (jaargang 1931 – gecombineerd nummer 5 en 6).

studie voor portretgroep - foto: wendingen 1931 - 5-6 - collectie loek van vlerken
foto: Wendingen  1931 nrs.5/6

moeder en dochter 'Lyceumbrug' - foto: loek van vlerken 23.02.2011
moeder en dochter op de ‘Lyceumbrug’

B 47 – De eeuwige vrouw – Amsterdam

Amsteldijk 273, Amsterdam

1924-25

de eeuwige vrouw (graf hildo krop) - foto: loek van vlerken 14.03.2011

grafsteen - foto: loek van vlerken 14.03.2011
Franse kalksteen (Pouillenay), 157 cm

Voor het Hollandse paviljoen van de wereldtentoonstelling ‘Exposition des arts décoratifs et industriels modernes’ in Parijs maakte Hildo Krop een aantal beeldhouwwerken. Na afloop van de tentoonstelling werd het paviljoen afgebroken. De beelden werden aan de kunstenaar teruggegeven. Een van deze beelden is ‘De eeuwige vrouw’, symbool voor de vrouw als middelpunt van het gezin. Het beeld bevindt zich op begraafplaats Zorgvliet op het graf van de kunstenaar. Zijn vrouw en dochter Helen zijn bijgelegd resp. in 1981 en 2001.
Het beeld is een typisch Krop-sculptuur van een vrouwfiguur met een zogenaamde ‘geknakte nek’. De symboliek hierbij is eenvoudig te verklaren: deze eeuwige vrouw moet gezien worden als een vruchtbaarheidssymbool – al het leven komt hier uit voort. In haar rechterhand houdt zij een appel, wat ook weer verwijst naar Eva, de oermoeder. De geknakte nek staat symbool voor zorgend, zorgdragend.

Het graf van Hildo Krop is op Zorgvlied te vinden in het deelgebied:  1.3 – Zocher-Rechts (nummer 35 op de kaart).
Ook liggen hier twee collega beeldhouwers van Krop: Han Wezelaar (nr.10) en Cor Hund (nr.21).

bron: Wandelen over Zorgvlied, Marcel Bergen/Irma Clement, 4e druk

B 69 – Brug nr. 410 – ‘Lyceumbrug’ – Amsterdam

over Noorder Amstelkanaal bij het Olympiaplein, Amsterdam

1926-28

moeder en dochter - foto: loek van vlerken 23.02.2011moeder en dochter - foto: loek van vlerken 23.02.2011moeder en dochter - foto: loek van vlerken 23.02.2011vader en zoon - foto: loek van vlerken 23.02.2011vader en zoon - foto: loek van vlerken 23.02.2011vader en zoon - foto: loek van vlerken 23.02.2011a. 2 pijlerbekroningen
1. moeder en dochter
2. vader en zoon
Franse kalksteen, 175 cm

meisje - foto: loek van vlerken 23.02.2011meisje - foto: loek van vlerken 23.02.2011jongen - foto: loek van vlerken 23.02.2011jongen - foto: leok van vlerken 23.02.2011b. 2 paalversieringen
1. meisje
2. jongen
Franse kalksteen, 255 cm

architect: Piet Kramer

brugdeel - foto: loek van vlerken 23.02.2011
De vier beelden van Hildo Krop op de Lyceumbrug over Noorder Amstelkanaal bij het Olympiaplein in Amsterdam verwijzen naar de jeugd, de opvoeding en het onderwijs en daarmee naar het aan de brug liggende schoolgebouw van het Amsterdams Lyceum. Aan de lyceumzijde zijn de beelden geplaatst op bakstenen pylonen, aan de Olympiapleinzijde hebben de beelden een lagere sokkel. De beelden, een jongen en een meisje (de kinderen van Krop, Helen en Johan, hebben hier model voor gestaan) staan te midden van golven en gestileerde lelies (symbool van puurheid) en lotusbloemen.

De hoge beelden laten een moeder en dochter zien (Krop’s vrouw en dochter Helen). De moeder met met een roos in haar hand. Zij legt haar dochter uit hoe de natuur werkt. Daar tegenover zit een vaderfiguur met een zoon (Krop zelf met zoon Johan). Hij brengt zijn zoon het functioneren van technisch gereedschap bij. Onder de voeten van de figuren zijn vliegende vogels in laag reliëf weergegeven.  De zwaluw (met de gevorkte staart) moet gezien worden als vrouwelijk. De zwaluw is nestvast. De meeuw bij de vader en zoon is mannelijk, vanwege zijn zwervend bestaan. De beelden verwijzen naar de jeugd, de opvoeding en het onderwijs en daarmee naar het aan de brug liggende schoolgebouw van het Amsterdams Lyceum. Het oogt allemaal wat moralistisch. Maar we moeten niet vergeten dat het voor de toen geldende sociale rolpatronen een nogal voor de hand liggende verbeelding van het ‘ideale’ gezin was. Gezien de locatie van de brug, voor het Amsterdams Lyceum, is het niet onwaarschijnlijk dat dit opvoedingsthema door de gemeente als uitgangspunt werd gekozen en Krop hier een duidelijke invulling aan moest geven.

Met Piet Kramer, de architect van de brug, had Krop wel eens verschil van mening. Krop vertelde in een interview (augustus 1969) dat Kramer niet plastisch genoeg dacht. Hij bedacht dingen, die misschien als tekening, prachtig te realiseren zouden zijn, maar als beeldhouwwerk niet. Daar hadden ze dan wel eens strijd over. Met name over het vrouwfiguur op de Lyceumbrug was Kramer van mening dat de voeten veel te groot waren. Krop legt uit: “Zij heeft zulke grote voeten, omdat de zuil waarop ze staat vrij breed is en het bovengedeelte van die zuil is natuursteen waar het beeld als het ware uitgroeit. Dus ik heb voor die voeten vrij grote vormen gemaakt als overgang van het brok natuursteen naar het beeld. Hoe verder je naar boven gaat, hoe fijner het wordt. Maar nou maakte Kramer aanmerkingen op die voeten, omdat het volgens hem van die ‘klospoten’ waren.”
moeder en dochter (detail) - foto: loek van vlerken 23.02.2011

In de jaren 2007/08 zijn de kalkstenen beelden, die erg verweerd waren gerestaureerd. De hoge beelden zijn geïmpregneerd met de zgn. ‘Ibach-methode’. In de beelden worden tot in de kern acrylhars geperst, waardoor de steen geconsolideerd wordt. Bij de kleine beelden werd gekozen voor het repliceren in stampmortel. De oude beelden werden gerestaureerd, waarna er mallen werden gemaakt. In deze mallen werd de mortel aangebracht. De structuur en kleur van de originele steen wordt zeer goed benaderd en de stampmortel is bestendiger dan de oorspronkelijke poreuze kalksteen.

(zie ook de terracotta studie V 81).

bron: Kunst aan de straat, Joost de Wal (red.), 2009

amsterdams lyceum en lyceumbrug - foto: loek van vlerken 23.02.2011

biografie Hildo Krop

plaquette aan het geboortehuis van Hildo Krop

.

JEUGD
Hildebrand Lucien (Hildo) Krop werd geboren op 26 februari 1884 in het Overijsselse Steenwijk. Een bronzen plaquette uit 2000 aan zijn geboortehuis in de Oosterstraat 11, gemaakt door de beeldhouwer Jan Krikke, herinnert hieraan. Hildo groeide op in een banketbakkersgezin. Het gezin bestond uit twee zoons en vier dochters. Bovendien telde dit gezin nog een vroeg wees geworden nichtje en inwonend personeel. De vader van Hildo Krop kwam uit een protestants milieu, maar keerde de kerk de rug toe. Hij bezocht, soms in het gezelschap van zijn beide zoons, bijeenkomsten waar mensen als F. Domela Nieuwenhuis en Pieter Jelles Troelstra spraken. Hier ontstond bij de jonge Hildo de kiem voor het socialisme. Het kunstzinnig talent had Hildo van moeders kant. Als jonge vrouw speelde ze evenals haar man bij de amateurtoneelvereeniging. Zijn grootvader Hendrik Cordes was horlogemaker, fotograaf en tekenleraar.
Hoewel Hildo goed kon leren, zat hij niet graag op school. Het leek daarom voor de hand liggend dat hij werd voorbereid om de bakkerij van zijn vader over te nemen, temeer omdat zijn oudere broer wèl wilde doorleren.

1898

OPLEIDING BANKETBAKKER / KOK
Met veertien jaar leerde hij van zijn vader de eerste beginselen van het bakkersvak. Een jaar later ging hij, zoals dat in die tijd de gewoonte was, elders praktijkervaring op te doen. Bij bakker Willemse in Leiden liep hij stage. ‘s Avonds ging hij boetseerlessen volgen om marsepeinfiguren te kunnen maken. In 1901 ging hij als tweede bediende werken bij een joodse bakker in de Amsterdamse Utrechtsestraat. In 1902 vertrok hij naar de stad Groningen om daar te gaan werken bij een banketbakkerij aan de Groote Markt. Twee jaar daarna ging hij ter vervolmaking van zijn bakker-kok-opleiding naar Brussel. Hier kreeg hij een betrekking bij een patisserie aan de chique Avenue Louise. In zijn vrije tijd ging de jonge Krop vaak de stad in om de vele beeldhouwwerken van Brussel te bewonderen van onder anderen Constantin Meunier en Jef Lambeaux.

1902 bakkersgezel in Groningen – Krop 2e v.l.

ENGELAND
Na allerlei omzwervingen in Frankrijk en Italië, waar hij baantjes had als banketbakker, kok en balensjouwer in de haven, kreeg hij in 1906 in Engeland werk als kok op het historische buiten Well Hall in Eltham, Kent. Het was een cultureel en politiek bewust milieu waarin hij terecht kwam. Krops werkgevers, Sir Hubert Bland en Edith Nesbit, ontvingen veel gasten, waarvoor Krop diners bereidde. Onder deze gasten waren veel kunstenaars en ‘Fabians’. Sir Hubert Bland was een vooraanstaand lid van de Fabian Society, een vereniging van democratisch gerichte socialisten uit de ontwikkelde middenklasse. Ondanks de vele diners, had Krop soms tijd om wat te schilderen. Met deze bezigheid was hij al in Steenwijk begonnen in het atelier van zijn grootvader Cordes. Mevrouw Bland raakte geïnteresseerd in Krop toen ze hem bezig zag met een zelfportret. Zij nodigde hem uit huiselijke bijeenkomsten bij te wonen, waar onder andere Bernard Shaw kwam. Ook bracht ze Krop in contact met de schilder/lithograaf Gerald Spencer Pryce. Hij raadde Krop aan schilderlessen te nemen. Dit was een zaadje dat in vruchtbare bodem viel. Krop nam ontslag bij de Blands en volgde een zomercursus op de Heatherly’s of Fine Art in Londen.

RIJKSACADEMIE
Eenmaal terug in Nederland, hij was ondertussen een goed opgeleide banketbakker, liet Hildo zijn ouders weten dat hij toch liever kunstenaar wilde worden. Eind 1907 vertrok hij opnieuw naar Frankrijk om er teken- en schilderlessen te gaan volgen aan de vrije Académie Julien in Parijs. In deze periode begon hij tevens met het boetseren van volkstypen. Omdat hij in zijn directe omgeving meer waardering ondervond voor zijn kleifiguren dan voor zijn teken- en schilderwerk, verschoof zijn ambitie in toenemende mate naar het beeldhouwen. Om die reden meldde de 24 jarige Krop zich in 1908 aan als leerling aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. In 1911, na het behalen van het einddiploma van de Rijksacademie, schreef Krop zich in voor de Prix de Rome met een in gips uitgevoerde schets (Cain door de pijl van Lamech gedood – V 3). Hij behaalde hiermee de tweede prijs.

1910-11

BEGINPERIODE
Hoewel aan de zilveren medaille van de Prix de Rome geen jaargeld was verbonden, kreeg Krop toch de gelegenheid zich gedurende een jaar in het buitenland te oriënteren. De winter van 1911-1912 bracht hij door in Berlijn, waar hij lessen volgde aan de Kunstgewerbeschule, een kunstnijverheidsopleiding. Hier leerde hij onder meer de techniek van het snijden in leisteen, een vaardigheid die hem later van pas zou komen bij het vervaardigen van penningen. Via Rome en opnieuw Parijs vestigde de jonge kunstenaar zich eind 1912 definitief in Amsterdam om zich verder te bekwamen in verschillende technieken. Het hakken in steen had hij niet geleerd aan de Rijksacademie. Die opleiding bestond nog niet en zou pas in 1914 als onderdeel van de beeldhouwopleiding ingevoerd worden. Zijn vriend John Rädecker, zoon van een steenhouwer en inmiddels zelf een bedreven bewerker van steen, had hem al eerder de beginselen en de fijne kneepjes van het hakken in verschillende steensoorten geleerd. Om in zijn levensonderhoud te voorzien ging hij werken als meubelmaker-in-opleiding bij de Amsterdamse meubelmaker W. Gieben. Hier kreeg hij een gedegen opleiding als meubelmaker. Van de voorman Anton Stoltz leerde Krop de techniek van het houtsnijden. Bijzonder is dat deze Stoltz later veel werk van Krop zou gaan uitvoeren als voorman in het atelier van Krop .

GEZIN
In 1914 trouwde Krop met Mien Sleef. Krop was een regelmatige bezoeker van liederen-avonden, waar gezongen werd door amateurs. Op een van deze avonden heeft Krop Mien Sleef leren kennen. Zij was de dochter van de voorzitter van de Amsterdamse SDAP-afdeling en typograaf J.W. Sleef. De omgang met het gezin Sleef zal Krops’ politieke vorming ongetwijfeld hebben beïnvloedt. Anders dan Krop die goedaardig van karakter was, hoewel hij zeer boos kon worden, had Mien een felle en fanatieke natuur. Naast hun twee kinderen Helen  en Johan, die voorspoedig opgroeiden, overleed hun derde kind Hein al heel jong. Vanaf 1920 woonde het gezin naast het atelier aan de Plantage Muidergracht.

 SCHEEPVAARTHUIS
De architect Piet Kramer introduceerde in 1914 Hildo Krop bij de architect van het nog te bouwen Scheepvaarthuis, J. M. van der Meij. Hierdoor kwam het contact tot stand tussen Krop en de eerstverantwoordelijke beeldhouwer van het Scheepvaarthuis, H. A. van den Eijnde. De uitvoering van het beeldhouwwerk aan het Scheepvaarthuis werd verzorgd door een groep beeldhouwers onder leiding van Van den Eijnde met als zijn eerste assistent Hildo Krop.
Het werk aan het Scheepvaarthuis was voor de ontwikkeling van Krop van grote betekenis. Hij leerde hier het bewerken van een ongelofelijke verscheidenheid aan materialen: van gebakken aarde tot graniet, van gips en hout tot lood en ijzer. Maar eigenlijk was het werk aan het Scheepvaarthuis voor alle beeldhouwers van groot belang. Hier werd voor het eerst in Nederland door de beeldhouwers met luchtdrukhamers gewerkt.

PUBLIEKE WERKEN
De door Krop verrichtte werkzaamheden aan het Scheepvaarthuis trokken zo de aandacht van A.W. Bos, de directeur van de Amsterdamse Gemeentelijke Dienst der Publieke Werken, dat hij de wethouder verzocht hem te machtigen een regeling te treffen, waarbij Krop een gedeelte van zijn tijd en werkkracht ter beschikking zou kunnen stellen voor belangrijke werken die bij de Dienst in uitvoering waren. Het honorarium was fl. 7,50 per halve werkdag, inclusief de atelierhuur aan de Plantage Muidergracht. Bovendien werd het loon van de uitvoerders evenals de huur van de benodigde hakmachines door de gemeente betaald. Er werd bepaald dat Krop voor elke opdracht een ontwerp in klei en een gipsafgietsel diende te leveren en uiteraard het definitieve werk, dat meestal gehakt werd in steen. Dit voorstel werd 16 juni 1916 bekrachtigd en nooit meer gewijzigd, op de honorering en een onderbreking gedurende de Tweede Wereldoorlog na. Gedurende dit dienstverband zijn heel veel werken tot stand gekomen. Aan veel  scholen en andere openbare gebouwen in de stadsuitbreidingswijken die tussen de beide wereldoorlogen werden gebouwd, werd beeldhouwwerk van Krop toegepast. Maar ook aan de Amsterdamse bruggen ontstond werk van Krop. Begin twintigste eeuw werden in Amsterdam in de nieuwe wijken aan de rand van de stad maar ook in het centrum, vanwege de toename van het verkeer, veel bruggen gebouwd en verbouwd. Voor meer dan twintig bruggen, bijna allemaal ontworpen door de architect Kramer (die evenals Krop een dienstverband had bij dezelfde gemeentelijke dienst), heeft Krop beeldhouwwerk gemaakt. Door de samenwerking met verschillende architecten in Amsterdam, kreeg Krop ook regelmatig opdrachten aan bouwbeeldhouwwerk elders in het land. Voor bankgebouwen, kerken, scholen, woningcomplexen en winkels maakte hij de meest uiteenlopende sculpturen.

SOCIALISME
In zijn jeugd had Hildo Krop, aan de hand van zijn vader, de socialistische leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, Pieter Jelles Troelstra horen spreken. Dit maakte een blijvende indruk op hem. Omstreeks 1908 werd hij lid van de SDAP. Dit lidmaatschap duurde echter maar tien jaar. Krop verliet de SDAP in 1918 omdat in het socialistische dagblad ‘Het Volk’ een oproep stond om de negende Duitse oorlogslening te steunen. De pacifist Krop was van mening dat hij van een dergelijke partij geen lid meer kon zijn. Krop is na zijn vertrek bij de SDAP naar eigen zeggen nooit meer lid geweest van een politieke partij, ondanks zijn sterke communistische sympathieën.
Krop was een overtuigd strijder voor een betere samenleving met meer gelijkheid en solidariteit. Het socialisme heeft Krop in veel van zijn werk inspiratie gegeven. In het werk van de socialistische schrijvers als Abraham van Collem, C.S. Adama van Scheltema en Herman Gorter vond Krop gedreven medestanders om via hun werk de arbeiders de weg naar een beter leven te wijzen. Met name het gedicht ‘Pan’ van Gorter heeft een sterke stempel gedrukt op het werk van Krop. Tussen 1918 en 1931 vervaardigde hij meer dan vijfentwintig werken in de openbare ruimte waarin een prominente rol voor de faun wordt ingeruimd. Krops faunen, saters en Panfiguren zijn rechtstreeks terug te voeren op Gorters episch gedicht, dat in kringen van socialisten een grote faam had. In dit werk wordt door toedoen van Pan een omwenteling tot stand gebracht, waarin het kapitalisme wordt overwonnen en de arbeiders betere leefomstandigheden krijgen.

BAUHAUS
Rond het begin van de jaren twintig begon Krop bekendheid te krijgen en werd zijn werk ook in het buitenland getoond, onder meer op de tentoonstelling ‘Holländische Kunst’ in Berlijn. Walter Gropius, de eerste directeur van Bauhaus in Weimar, zag zijn werk en vroeg Krop aan het Bauhaus les te komen geven, omdat hij in hem zijn eigen levensidealen herkende. Krop ging serieus in op het voorstel van Gropius en reisde naar Weimar. De tegenstellingen binnen het Bauhaus begonnen echter  in 1921 al duidelijk te worden en de politieke situatie in Duitsland was onstabiel. Daarnaast had Krop het eigenlijk best naar zin in Amsterdam met zijn werk voor de gemeente. Het aanbod van Gropius werd door Krop afgewezen.

circa 1925

MONOPOLIEPOSITIE
In de loop van de jaren twintig werden er verschillende keren bezwaren geuit tegen de monopoliepositie van Krop binnen Publieke werken. Voor het eerst was dat in 1923, toen een slechter wordende economie de toepassing van beeldende kunst aan gebouwen bedreigde. Er werd bepleit bij de afdeling Kunstzaken van de gemeente, ook anderen dan Krop in de gelegenheid te stellen voor de gemeente te werken. Het verantwoordelijk hoofd van de afdeling Gebouwen, Allard Remco Hulshoff, stelde zich op het standpunt dat hij evenals andere architecten het recht had zelf uit te maken met welke beeldhouwer hij wilde samenwerken. In 1928 volgde opnieuw een dergelijk incident. De commissie van Bijstand voor de Kunst achtte het niet in het belang van de stad om alle sculpturen door dezelfde beeldhouwer uit te laten voeren. Men vond dit ook oneerlijk tegenover andere beeldhouwers die nooit een kans kregen. Hulshoff was van mening dat de commissie een verkeerde indruk had van de omvang van het aan Krop opgedragen werk. Deze was niet zodanig, dat de kwaliteit er onder zou lijden. Hij wees ook op de snelle uitvoering van het werk door Krop. Bovendien, en dat was wellicht de voornaamste reden, was de verstandhouding tussen de gemeente en Krop uitstekend te noemen. Ook in latere jaren zou de positie van Krop nog enige malen ter sprake komen in de gemeenteraad. In 1929 had de gemeente oog voor noodlijdende kunstenaars en liet men naast Krop nog negen andere beeldhouwers beeldhouwwerk ontwerpen voor een brug. Voor deze brug ontwierp Krop wel het belangrijkste beeld, een steigerend paard met tussen de voorbenen een klein meisje (B 82). Het is de verbeelding van ‘De onbevangenheid der mensen tegenover het leven’ en is een van de bekendste werken van Krop geworden. De andere negen beeldhouwers maakten beeldjes die zich bevinden in het plantsoen langs de waterkant. Ook aan een brug aan de Jan van Galenstraat (B 94) zouden meerdere beeldhouwers hun bijdrage leveren: naast Krop, Jaap Kaas, Jan Trapman en Hubert van Lith. Het werk van verschillende kunstenaars bleek te heterogeen om zo dicht op elkaar geplaatst te worden, vond de wethouder van Kunstzaken. In principe leek daarmee de positie van Krop veilig gesteld, maar de praktijk bleek anders.

NIEUWE ZAKELIJKHEID
Langzamerhand verminderde de behoefte aan bouwbeeldhouwkunst sterk. Dit had niet alleen te maken met de verslechterende economische omstandigheden. De Amsterdamse school maakte plaats voor de bouwstijl van de Nieuwe Zakelijkheid. Na 1932 werd bouwbeeldhouwwerk niet meer toegepast en het sculptuur werd steeds meer een autonoom element bij een gebouw. Veel van deze sculpturen hebben een klassieke, strenge uitstraling. Ook de maatvoering had meer relatie tot het gebouw. Dit betekende voor Krop een ander soort opdrachten, zoals het standbeeld van Erasmus (B 89) bij de ingang van het Vossius-gymnasium.

circa 1934

SOVJET-UNIE
Met veel andere kunstenaars keek Krop met enthousiasme naar de Russische Revolutie en de jonge Sovjet-staat. Een staat waar de arbeider het voor het zeggen zou hebben. Dat Krop geen lid van de communistische partij werd, had meer een pragmatische reden. Hij wilde zijn positie als stadsbeeldhouwer niet in gevaar brengen. Het echtpaar Krop bewoog zich echter wel in communistische kringen. Voor De Tribune maakte hij in de jaren twintig politieke houtsneden en bij het tienjarig bestaan van de Sovjet-Unie ontwierp hij een legpenning (P 5). Ook ontstond er van zijn hand een portretbuste van Lenin (V 89), die zijn verdere leven in zijn atelier pronkte. In 1935 ging Krop op uitnodiging van de WOKS (een Russische vereniging voor culturele betrekkingen met het buitenland) naar de Sovjet-Unie. De bedoeling was dat hij een maand in Moskou zou verblijven, het werden drie maanden. De bereidheid van het echtpaar Krop om inlichtingenagenten van de Sovjet-Unie van dienst te zijn, wordt gesuggereerd door Igor Cornelissen in zijn boek ‘De GPOe op de Overtoom’. Krop maakte kennis met geheim agent Ignace Reiss. Hildo en Mien Krop waren wel gesteld op deze Reiss (of Poretsky, of Meneer Ludwik) en er ontstond een vriendschappelijke relatie, die onder meer resulteerde in een indringende portretbuste van deze ‘meneer Ludwik’ (V 106). Krop gaf na de oorlog in gesprekken met de Binnenlandse Veiligheidsdienst weinig prijs over deze vriendschap. Een gepensioneerde ambtenaar van de BVD laat in het boek van Cornelissen weten: “Hildo was geen apparatsjik. Hij was politiek niet zo slim, hij was vooral een idealist. Ons idee was dat zijn vrouw Mien er veel dieper in stak.”

TWEEDE WERELDOORLOG
In mei 1941 werd de discussie over de monopoliepositie van Krop voor de derde keer geopend, dit keer door de wethouder van Kunstzaken J. Smit. Deze wethouder was lid van de al voor de oorlog opgerichte Nederlandse Cultuurkring, die sympathiseerde met de gedachte van een nationalistische cultuur en die zich afzette tegen de antifascistische beweging. Door de gemeente was inmiddels besloten dat elke kunstenaar zou kunnen inschrijven op kunstwerken aan bouwwerken. Al op 20 mei 1941 werd de directeur van Publieke werken verzocht om met spoed op te geven welke opdrachten aan Krop in een zodanig stadium verkeerden, dat ze alsnog zouden kunnen worden geannuleerd. Op 10 juni antwoordde directeur De Graaf, dat Krop geen werk in voorbereiding of uitvoering had, maar dat drie opdrachten zich in een dergelijke fase bevonden, dat ze redelijkerwijs niet meer konden worden teruggedraaid. Dit betrof beeldhouwwerk aan de bruggen aan het Vondelpark (B 109), Weesperplein (B 111) en Parnassusweg (B 114). De ontslagbrief aan Krop is gedateerd 14 juli 1941.
In de Tweede Wereldoorlog waren het vooral de beeldhouwers, en dan met name de Amsterdamse leden van de NKB, die protesteerden tegen het Kultuurkamerbeleid van de Duitse bezetter. Toen begin 1942, tijdens een vergadering van de NKB enkele beeldhouwers met Duitse sympathieën, overwogen om toch maar te tekenen voor de Kultuukamer, verlieten Gerrit van der Veen, Fred Carasso, Leo Braat en Hildo Krop de bijeenkomst, waarbij penningmeester Braat de kas meenam. Het geld zou voornamelijk worden gebruikt om kunstenaars in moeilijkheden financieel te kunnen helpen. Krop werd later nog gepaaid om lid te worden van de Kultuurkamer, waarbij hem herstel van de werkverhouding en een belangrijke opdracht in het vooruitzicht werd gesteld. Krop weigerde resoluut. Hij zou nog liever weer als kok gaan werken. Gedurende de oorlog kreeg Krop alleen een paar privé-opdrachten en maakte veel vrij werk. Hoewel het bekend was dat Krop er een antifascistische mening op na hield, werd hij pas in januari 1944 opgeroepen om te worden verhoord door de Duitse politie. Hoewel van veel kanten Krop het advies kreeg om onder te duiken, meldde hij zich toch bij het hoofdkwartier van de SS in de Euterpestraat in Amsterdam. Hij werd gedurende drie uur verhoord door een Nederlander in het bijzijn van een Duits officier. Op een gegeven moment wilde men hem laten gaan, maar de ondervrager zei: ‘Toch heb ik het gevoel dat je me belazert!’ Krop, die zijn hoed al op had, zette die weer af en zei: ‘Wel, dat neem ik niet!’ Tenslotte liet men hem toch vertrekken .

NA DE OORLOG
Al vrij snel na de bevrijding kwam de verbroken verhouding tussen de gemeente en Krop aan de orde. Er werd voorgesteld om eerherstel te verlenen door Krop de opdracht te geven om een beeldje te maken voor een locatie aan het Rokin (Fortuna – B 117). Het college vreesde echter dat daaruit opgemaakt zou kunnen worden dat Krop opnieuw ‘het monopolie voor de opdrachten voor de Dienst van Publieke werken zou moeten hebben’. Er werd besloten dat Krop wel de opdracht voor het beeldje aan het Rokin zou krijgen, maar dat hij niet in zijn oude positie bij Publieke werken zou terug komen. Een bezoek aan Krop van de wethouders voor Kunstzaken en Publieke Werken, in gezelschap van de stadsarchitect Hulshoff had echter tot resultaat, dat dit besluit werd teruggedraaid. Krop werd wel duidelijk gemaakt, dat ‘gezien de ontwikkeling van de Nederlandse beeldhouwkunst, dat in de toekomst ook aan andere talentvolle krachten van Gemeentewege opdrachten behooren te worden gegeven’. Krop was het hier van harte mee eens. Hij gaf bij herhaling blijk van zijn waardering voor de jonge garde. Maar toch hield hij een gevoel van teleurstelling over aan de manier waarop dit allemaal tot stand kwam. De opdracht voor het beeldje aan het Rokin ervoer hij als een doekje voor het bloeden. Zó kon hij niet ingaan op het voorstel. Hij vond dat B&W de culturele kant van de zaak verwaarloosden. Het ging niet om hem, maar om het culturele belang van zijn werk voor de stad. ‘Zelfs al wilde u de oude regeling niet weer in werking laten treden, dan had dit toch wel op een andere manier kunnen gebeuren, met althans enige waardering voor de vele werken’. Uiteindelijk herstelde de gemeente de fout. Wethouder De Roos sprak op 3 januari 1946 zijn erkenning uit over verdiensten van Krop voor de stad. Vervolgens accepteerde Krop alsnog de opdracht voor het beeldje Fortuna, het oude dienstverband ging weer in en maakte Krop opnieuw deel uit van de heropgerichte commissie voor opdrachten van beeldhouwwerk.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een golf van opdrachten voor verzets- en herdenkingsmonumenten. Een van de eerste monumenten, die Krop ontwierp, was dat voor de Nieuw Ooster (begraafplaats in Amsterdam-Watergraafsmeer) ter nagedachtenis van de achttien mannen die waren terecht gesteld na de Februaristaking in 1941. Ook ontwierp hij herdenkingsmonumenten o.a. aan de Marnixstraat in Amsterdam, Steenwijk, Kampen en Den Haag.

circa 1947

STADSBEELDHOUWER VAN AMSTERDAM
Op 21 februari 1956 werd Krop eindelijk officieel ‘Stadsbeeldhouwer van Amsterdam’. Bij deze eretitel werd hij tevens benoemd tot adviseur van Publieke werken voor de beeldhouwkunst. Ook kreeg hij de opdracht van de gemeente een monument te ontwerpen voor de architect H.P. Berlage, dat geplaatst zou worden op het Victorieplein. Dit was een eervolle, maar zware opdracht voor de 72-jarige Krop, omdat het beeld en sokkel naar zijn mening in natuursteen uitgevoerd moest worden. Van de mogelijkheid het in brons uit te voeren, een suggestie van zijn bezorgde vrouw, wilde Krop niets weten. Het zou tien jaar duren voordat het beeld onthult zou worden (Mo 48).

LAATSTE JAREN
In de eerste helft van de jaren zestig liet Krops gezondheid steeds meer te wensen over. Het auto-ongeluk dat hij eind 1963 kreeg verslechterde zijn gesteldheid behoorlijk. Maar op 26 februari 1964 was hij voldoende hersteld om de huldiging voor zijn tachtigste verjaardag in zijn geboorteplaats Steenwijk te ondergaan. Enkele maanden later volgde een uitgebreide solotentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Hildo Krop stierf in het harnas. Op 20 augustus 1970 overleed hij in zijn atelier aan de Plantage Muidergracht aan een hartaanval.

1964

masker op muur atelier - foto: loek van vlerken 29.09.2015 muurschildering atelier - foto: loek van vlerken 29.09.2015
Herinnering aan Hildo Krop  in zijn oude atelier aan de Plantage Muidergracht:
een uitgehouwen kop en een muurschildering

De portretfoto’s van Hildo Krop komen uit het archief van het Hildo Krop Museum, Steenwijk

.

gazelle transparante achtergrond klein