Tagarchief: gruyter w. jos de

V 58 – Vrouwelijk naakt

Verblijfplaats onbekend

1926

Franse kalksteen (Pouillenay), 35 cm

De foto van dit vrouwelijk naakt komt uit het boek ‘Hildo Krop’ van Jos. de Gruyter uit 1938. Bij deze foto wordt vermeld dat de hoogte van het beeld 55 cm is.

Na een breuk is het beeld, volgens Lagerweij-Polak, aan de onderkant 10 cm (?) door de beeldhouwer Vermeire ingekort. Waarschijnlijk is het beeld 20 cm ingekort.

Jules Seraphien Vermeire (1885-1977) was een Belgische beeldhouwer en tekenaar. Hij leerde de kunst van het steenhouwen in zijn vaders werkplaats en kreeg les aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vestigde hij zich permanent in Nederland.

bron: Kunstconsult, Amstelveen

V 16 – Miereneter en maraboe

verblijfplaats onbekend

1917

teakhout, 7,5 cm

Over dit kunstwerkje schreef Jos. de Gruyter in 1938 in zijn boek ‘Hildo Krop’:  

De teakhouten miereneter werd min of meer opgelost tot een nagenoeg barok ornament, en hierin herkent men den sierkunstenaar, die vooral in vroeger jaren in Krop schuilde: den kerver van kunstige paneelen en lambrizeeringen, den ontwerper van vaak met ‘n plastiekje verlevendigde gebruikskeramiek voor Eskaf, den teekenaar tenslotte van typisch “gebeeldhouwde” meubels, die tot de belangrijkste gerekend mogen worden van die zoogenaamd Amsterdamschen tijd.

De Gruyter noemt overigens 1922 als ontstaansdatum in plaats van het jaartal 1917, genoemd in Lagerweij-Polak.

V 98 – Staand meisjesnaakt – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk (gips)
Verblijfplaats onbekend (kalksteen)

1934

Franse kalksteen (Poullenay), 95 cm

gips, 95 cm

Het jaar 1934 was voor Hildo Krop een relatief rustig jaar. Naast zijn grote opdracht van het reliëf voor het monument op de Afsluitdijk (Mo 11) en twee hoekstenen voor het voormalige Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam (B 96) had hij tijd om enkele portretten en naakten te creëren.  Bijzonder in deze reeks vrije werken is het ‘Staand meisjesnaakt’ in contrapost, met kort kapsel, gemaakt in Franse kalksteen.

De kunstcriticus Jos. de Gruyter schrijft over dit werk in zijn boek ‘Hildo Krop’ uit 1938:
” (het) werk is voor Krop heel kenmerkend, het geeft hem misschien op zijn zuiverst; zie het fijn gerekte der jonge ledematen, het nadenkende van den kleine kop, het bevallige en toch steile, gracieuze en toch teruggehoudene van den stand. Beeld van onschuld en eenvoud, zonder uiterlijke bekoringen of overdrijvingen, het leven aarzelend en aandachtig tegemoet tredend, maar weggedoken nog in de schaduw van het onbewuste, het maagdelijke.”

Het Hildo Krop Museum is in het bezit van het gipsen model met dezelfde afmetingen als het stenen beeld.

bron: Jos. de Gruyter, ‘Hildo Krop’, 1938

V 138 – Veluws vrouwtje – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

1947

polychrome keramiek, 22 cm

Krop was tijdens de oorlogsjaren actief in het verzet. Op een bepaald moment leek het hem verstandig om een tijdje onder te duiken. Hij vertrok naar de Veluwe en kwam terecht bij een boerenfamilie in Elspeet, waar hij gastvrij ontvangen werd. Van dit boerengezin maakte Krop in 1953 een keramisch plastiek (V 161). De moeder van het gezin had Krop al zes jaar eerder gemodelleerd als een Veluws vrouwtje.

De kunstcriticus W. Jos de Gruyter schreef in 1954 over dit beeld onder meer:  “Opmerkelijk is dat de zin voor het boertige of groteske hem (Krop red.) nooit tot spot voert. Het raakt soms aan de caricatuur, maar is het in wezen niet. Ook Het Veluws vrouwtje intens vergenoegd-van-binnen en één en al goedlachse ronding, is zeker geen caricatuur, want daarvoor straalt de goedmoedigheid der bedoeling er te duidelijk af. Deze volkse matrone schijnt veeleer een nieuwe variatie op het thema van het moeder-idool.”

bron: Hildo Krop Keramiek, Wim Heij/Arie van Andel, 2015

V 167 – Isidore Opsomer – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

1953

isidore opsomer - foto: loek van vlerken 28.08.2017
verzilverd gips, 97 cm

In 1953 maakte Hildo Krop een portretkop (36 cm) in terracotta (V 165) van zijn vriend, de Vlaamse (portret-)schilder baron Isidore Opsomer (1878-1967).

Vrijwel direct hierna verbeeldde hij de schilder nog eens groot en zittend in bureaustoel met uitgestreken rechterhand met potlood (V 167). Over dit figuurportret schreef de Nederlandse kunstcriticus W. Jos de Gruyter in 1954: “Ik ken nauwelijks een andere beeldhouwer, die zo sterk het zitten van zijn gestalte beklemtoont als Krop. Het staan of zitten van de figuur heeft voor hem een even fundamentele waarde als het man- of vrouw-zijn”. De stadsarchitect ir. J. Leupen over dit zelfde beeld: “Massaal, in grote vormen opgebouwd zit de ronde Vlaming aan de arbeid, de spirituele kop strak op zijn werk gericht, terwijl met een zeker en dwingend gebaar van de rechter naar voren gestrekte alm een krachtige toets op het denkbeeldige doek wordt geplaatst. Met welk een creatieve kracht wordt hier een creatieve geest verbeeld”.

Isidore Opsomer had op zijn beurt in 1952 al een portret geschilderd van Hildo Krop. Dit doek (olieverf – 44 x 53 cm) is naast Krop’s zittende beeld Opsomer, te bewonderen in het Hildo Krop Museum in Steenwijk.
portret van hildo krop, 1952 door baron isidore opsomer - foto loek van vlerken 28.08.2017

Het Singermuseum te Laren en Stedelijk Museum te Schiedam bezitten een bronzen exemplaar van de zittende Opsomer. In welke collectie Krop’s portretkop (V 165) van de Belgische schilder zich bevindt is niet bekend.

bron: Hildo Krop Portretten – Hildo Krop Museum, Wim Heij, 2011

V 89 – Lenin – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

1931

lenin - foto: loek van vlerken 13.10.2016

lenin - foto: loek van vlerken 13.10.2016terracotta, 49 cm

Als veel andere kunstenaars keek Hildo Krop in de jaren twintig van de vorige eeuw hoopvol naar het nieuwe Rusland. In 1931 modelleerde Krop een portretbuste van Lenin, die in zijn visie meer een denker, een man van de wetenschap is, dan een leider met in zijn blik een mengeling van het ‘menselijke goede en het Oosters harde’.
In de tijd dat hij aan de Lenin-buste werkte raakte Krop betrokken bij de organisatie van de tentoonstelling Moderne hedendaagse Nederlandse Kunst, die in mei-juni 1932 in Moskou zou worden gehouden. Enige jaren later ontving hij een uitnodiging van de WOKS – een Russische vereniging voor culturele betrekkingen met het buitenland – om gedurende een maand Moskou te bezoeken. Krop vertrok in 1936 naar de hoofdstad van de Sovjet Unie en schonk een terracotta-uitvoering van het Lenin-borstbeeld aan het Lenin Museum in Moskou. (Een tweede exemplaar bevindt zich in het Hildo Krop Museum in Steenwijk). Hij zou er  drie maanden verblijven en bezocht ook Leningrad (St. Petersburg). Hij bracht er naar eigen zeggen een prettige tijd door. De Stalinistische zuiveringsprocessen waren nog niet begonnen en kunstenaars werden in ere gehouden. Ze werden goed betaald en kregen veel faciliteiten. Het positieve in Rusland vond Krop dat kunst daar niet als luxe werd beschouwd, maar als een eerste levensbehoefte.

Dat niet iedereen blij was met de schenking van de Lenin-buste, blijkt wel uit het bericht in De Banier, Staatkundig Gereformeerd dagblad van 24 februari 1936:

de banier-staatkundig gereformeerd dagblad - 24.02.1936

V 96 – Zittend vrouwelijk naakt

1932-34

Particuliere collectie


gelakt esdoornhout (taille directe), 115 cm

Vanaf ca.1920 werkte Hildo Krop in een speciaal voor hem door de gemeente Amsterdam gebouwd atelier achter zijn woning aan de Plantage Muidergracht 105. Later had hij ook de beschikking over de grote stenen paardenstal tegenover de woning en het tussenliggende pleintje. Daar ontstonden tot aan zijn dood in 1970 vrijwel al zijn beeldhouwwerken. De woning verliet hij al na zo’n vier jaar. Na hem betrok de familie Post de woning. Het gezin bestond uit vader en moeder en tien kinderen. De arbeiders van het atelier en ook Krop zelf, kwamen regelmatig bij het gezin over de vloer. De kinderen speelden als er niet gewerkt werd op het atelierterrein, waar grote kolossale granieten en marmeren kunstvoorwerpen lagen. Van tijd tot tijd kwamen er ook modellen naar Krops’ atelier en volgens de toenmalige 16 jarige Kees Post waren dat soms de mooiste vrouwen van Nederland. Althans dat schrijf hij in het herinneringsboekje ‘Verhalen over Krop als buurman’ uit ca. 1955, dat in het archief van het Hildo Krop Museum ligt. In 1932 wilde Hildo Krop een groot houten beeld maken voor de solo-tentoonstelling in 1934, die hem was aangeboden naar aanleiding van zijn vijftigste verjaardag. Het zou een zittend vrouwelijk naakt van esdoornhout moeten worden van meer dan een  meter hoog. Gezien de fraaie modellen die de jonge Kees over het terrein zag lopen, moest het wel een prachtig beeld worden. Groot was dan ook de teleurstelling toen het werk af was. Kees kwam kijken in het atelier en zocht naar een Mona Lisa of Minerva beeld, compleet met alles erop en eraan. Toen zei Hildo “Kees, jongen, hier is dat beeld hoor” en hij wees naar ‘die zittende tante’, zoals Kees het beeld beschreef.  Hij had iets heel anders gehoopt te zien. Om er snel tussen uit te kunnen knijpen was zijn antwoord: “me moeder roept me”. En weg was Kees.

het nog ongelakte beeld in het atelier

Ook Krop zelf was in eerste instantie niet helemaal tevreden met het resultaat. Dit betrof niet de gebeeldhouwde vormen, maar het lag meer aan het materiaal. Esdoornhout heeft een nogal lichte kleur, waardoor het beeld een wat vlakke uitstraling had. Om de lijnen en vormen beter te laten uitkomen, wilde hij het beeld donkerder hebben. Na enkele testen besloot hij het beeld af te spuiten met zwarte autolak en dat pakte erg goed uit. De donkere kleur onderstreepte het zware, ‘primitieve’ zoals bij een middeleeuwse zwarte madonna. Volgens E.J. Lagerweij-Polak in de monografie ‘Hildo Krop’, kan het kunstwerk gezien worden als de verbeelding van een oermoeder of een aardse godin of, zoals Jos de Gruyter het verwoordde in zijn monografie over Krop uit 1938: ‘een moeder, het stabiliserende beginsel in de natuur, een idool dat eigenlijk niet thuis hoort in een museum’. Dit prachtige beeldhouwwerk staat dan ook niet in een museum, maar bevindt zich in een particuliere collectie.

bron: Verhalen over Krop als buurman, Kees Post, ca. 1955

In 1952 stond het beeld wél in een museum. Het Stedelijk Museum in Amsterdam toonde het beeld, zoals de foto uit de catalogus laat zien: