Categoriearchief: Vrij werk

V 132 – Portret mevrouw E.H. S.-K. (Schuil-Klein)

verblijfplaats onbekend

1944-45

brons, 39,5 cm

Hoewel het niet honderd procent zeker is dat deze foto’s, afkomstig uit het archief van het Hildo Krop Museum, de portretkop van mevrouw E.H. Schuil-Klein betreft, kunnen we er van uit gaan dat we hier te maken hebben met het bronzen portret van de vrouw van de Rotterdamse binnenhuisarchitect J. Schuil.

Twee babbelende Joodse vrouwen – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

ca. 1910

gips, 14,5 cm

Dit vroege werkje van Hildo Krop heeft thematisch veel weg van de beeldjes met volkse scenes die Joseph  Mendes da Costa rond 1900 maakte. Opvallend is hoe expressief de nog jonge Krop deze figuren neerzette. Ook aardig aan dit gipsen beeldje is dat het kopje van de linker vrouw dezelfde karikaturale uitdrukking bezit als die van Tom Schilperoort, een gipsen reliëf van Krop uit dezelfde tijd (zie reliëfportret Tom).

Van dit kleine plastiek bestaat ook een bronzen afgietsel, zo blijkt uit een afbeelding op internet.

Staand vrouwelijk naakt met handen vrij voor de borst, Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

ca. 1950

gips, 105 cm

Vlak na de Tweede Wereldoorlog kwam er in het woonhuis aan de Plantage Muidergracht, op het erf waar Hildo Krop zijn werkplaats had, een nieuw gezin wonen. Dit grote huis, eens het woonhuis van Krop zelf, stond leeg en werd toegewezen aan een gezin met tien kinderen, de familie Post. Eén van de kinderen schreef in zijn herinneringen over de tijd dat hij op het erf van Krop woonde: “Regelmatig zagen wij de mooiste vrouwen van Nederland onze woonkamer passeren. Miss Holland hebben we gezien en de mooiste top modellen die de Nederlandse Academie van Schone Kunsten maar kon krijgen poseerden voor Hildo Krop.”

Deze gipsen studie van een vrouwelijk naakt is een van de vele naakten welke Hildo Krop in die periode maakte.  Het is niet bekend of Krop deze studie heeft uitgewerkt.       

bron: Verhalen over Krop als buurman, Kees Post, ca. 1955

V 63 – Tuinman

verblijfplaats onbekend

1927 – 28

brons, 17,5 cm

Voor grote projecten maakte Hildo Krop regelmatig maquettes om te kunnen beoordelen of zijn beeldhouwwerk goed van afmeting was. Om de schaal goed te kunnen beoordelen maakte hij er dan gipsen mensfiguurtjes bij, soms in meerdere variaties. Deze figuurtjes gebruikte hij vaak voor meerdere maquettes. Deze miniatuurtje zijn weinig uitgewerkt. Ze dienden uitsluitend om te kunnen bepalen of een maquette de juiste maten had. Deze kubistische werkjes zijn echter in hun eenvoud zo karakteristiek en treffend, dat geen sprake is van ‘slechts modelletjes’, maar dat we hier te maken hebben met kunstplastieken.   Sommige van deze figuurtjes vond Krop dermate geslaagd dat hij ze in brons liet gieten.

Staande man met hoed in linkerhand – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

ca. 1927

gips, 17 cm

Voor grote projecten maakte Hildo Krop regelmatig maquettes om te kunnen beoordelen of zijn beeldhouwwerk goed van afmeting was. Om de schaal goed te kunnen beoordelen maakte hij er gipsen mensfiguurtjes bij, soms in meerdere variaties. Deze figuurtjes gebruikte hij vaak voor meerdere maquettes. Deze miniatuurtje zijn weinig uitgewerkt. Ze dienden uitsluitend om te kunnen bepalen of een maquette de juiste maten had. Deze kubistische werkjes zijn echter in hun eenvoud zo karakteristiek en treffend, dat geen sprake is van ‘slechts modelletjes’, maar dat we hier te maken hebben met kunstplastieken.   Sommige van deze figuurtjes vond Krop dermate geslaagd dat hij ze in brons liet gieten. Zie hiervoor bijvoorbeeld de Harmonicaspelende man (V66) of Sjouwerman (V67).

V 172 – Carel Kneulman

verblijfplaats onbekend  

1958 -59

terracotta, 17 cm

In dezelfde periode (1958-59)dat hij het terracotta portret van de beeldhouwer Johan Wertheim maakte (V171), was Hildo Krop bezig met nog een portret van een collega beeldhouwer: Carel Kneulman (1915-2008). De verblijfplaats van het beeldje is niet bekend. Bovendien is er in geen enkele catalogus een afbeelding van te vinden. Toch bestaat het vermoeden dat de twee foto’s,  welke zich in het fotoarchief van het Hildo Krop Museum bevinden, de afbeelding van dit werk is. Te zien is een boomlange zittende man met een wat fragiele uitstraling. Dit komt behoorlijk overeen met het uiterlijk van Kneulman.

Vastbesloten om beeldhouwer te worden, ging Kneulman in 1941 op zoek naar een leraar. De eerste aan wie hij dacht was Hildo Krop. Een logische keuze voor iemand die verder nauwelijks op de hoogte was van de contemporaine beeldhouwkunst in Nederland. Het werk van  Krop was overal op straat te zien. Maar de meester had geen plaats voor een leerling. Desondanks waren Krop en Kneulman later lange tijd bevriend met elkaar, hoewel ze totaal andere beeldhouwers waren. Kneulman had niet veel op met de heersende regels en conventies, en kon dan ook niet kiezen tussen abstractie en figuratie. Wat hun vooral bond was het sociale aspect in hun beider werk.

Beeldhouwer Carel Kneulman in zijn atelier Zwanenburgwal met zijn beeld ‘Kind’ – ca. 1957

Een mooi voorbeeld van de waardering  voor het werk van zijn collega is te vinden in een brief die Kneulman op 16 december 1966 schreef aan Hildo Krop. Door deze brief, die zich in het archief van het Hildo Krop Museum bevindt, komen we te weten wat Kneulman’s mening is over het Berlage-monument (Mo48):

Beste Hildo,

Gisteravond liep ik eerst nog door de stad, ondanks de bank*) en de stank, een fijne stad en opeens moest ik aan jou denken en ik dacht, morgen ga ik het Hildo toch eens zeggen.
En hier sta ik dan met m’n papiertje. Een tijdje geleden, in 1938 ongeveer, ik was toen 22 jaar, ontdekte ik voor het eerst de monumentale bruggen van Amsterdam. Dat was niet m’n eerste contact met beelden, want als kleine jongen had ik al de Sphinxen van het Wertheimpark en de Leeuwen van Zeeburg bereden en de Jezus op de Mozes- en Aaronkerk heeft ook een onuitwisbare indruk achtergelaten. Je kunt wel zeggen, dat ik volkomen maagdelijk was, op het gebied van de beeldhouwkunst dan. En toen opeens die bruggen met beeldhouwwerk. Prachtig vond ze en ik ontdekte toen nog meer beeldhouwwerk, overal beeldhouwwerk van graniet in de stad. Vogels, saters, herten, paarden, konijntjes, slangen, sterren en zonnen, hele steden van graniet, en treinen met rook, bloemen en bliksem, watervallen, harpen en fluiten, zwaarden en spaden, kinderen, veel kinderen en altijd staat daar onverwrikbaar rechtop een volwassen mens en kijkt je doordringend aan. En die mens is vol vertrouwen en vertelt daarvan in al zijn handelingen in duizend beelden.
Ik dacht, een man die zo’n machtig lied zingt moet een reus zijn.
Een reus van een beeldhouwer.
Een reus van een mens.
Ik ben dikwijls in je werkplaats geweest daarna en ik heb je ontmoet in een niet aflatende aandacht voor de vele, vele details van het leven.
Toen ik laatst weer eens bij je binnenstapte ontdekte ik ergens op het topje van een geweldige steenberg, die uit ettelijke berglagen bestond een klein bergbeklimmertje. En dat mannetje sloeg de berg op z’n kop dat de stukken eraf vlogen. Toen hij eindelijk voorzichtig langs de berghelling weer op de begane grond was aangekomen, bleek het bergbeklimmertje Hildo Krop te zijn en toen we samen voldoende afstand van de berg genomen hadden, bleken de berglagen Berlage te zijn.
Hildo, je hebt met dit geweldige werk tegelijk 3 monumenten opgericht, 1 voor Berlage de grote bouwmeester van Amsterdam, nog 1 in de basis voor alle werkers van Amsterdam**) en in het geheel heb je ongewild het monument opgericht van het grote Vertrouwen, van Samenwerking, van democratie.
Het is een machtig teken en het staat prachtig gericht naar de Vrijheidslaan. Hildo namens alle collega’s feliciteer ik je met dit geslaagde werk en dank ik je voor dit monument.

Kneulman.

*) Kneulman doelt met ‘de bank’ op het in aanbouw zijnde gebouw van de Nederlandse Bank aan het Frederiksplein. Volgens velen een erg lelijk gebouw, waar toentertijd veel tegenstand bestond.
**) Rondom het voetstuk, waarop bouwmeester Berlage staat, zijn in reliëf de helpers van de bouwmeester uitgebeeld: een metselaar, een steigerbouwer, een beeldhouwer, een opperman en een tekenaar. Deze werkers zijn essentieel voor het realiseren van het ontwerp van de bouwmeester.

Van 1973 tot 1990 werkte Kneulman op een historische plek, het oude atelier van ‘stadsbeeldhouwer’ Hildo Krop aan de Plantage Muidergracht, waar nog veel herinnerde aan de vroegere gebruiker. Kneulman had eigenlijk nooit echt goed kunnen aarden in het grote donkere atelier. In een gesprek met Jan Teeuwisse in 1989 vertelde hij, terwijl zijn blik door het atelier dwaalde: “Ik krijg Krop er niet uit.”

bronnen:
Ida Boelema/Feico Hoekstra, Carel Kneulman, 2006
Jan Teeuwisse, (voorwoord) Carel Kneulman, 2006

V 137 – Vaas met motieven naar de ‘Gijsbrecht’ – Amsterdam

Amsterdam Museum, Amsterdam

1947

geglazuurde polychrome keramiek, 53,5 cm

Op de rand van de vaasdeksel staan de beginregels van De Gijsbrecht van Joost van den Vondel:

Het hemelsche gerecht heeft zich ten langen leste
Erbarremt over my en myn benauwde veste

In de jaren na de Tweede Wereld oorlog was Hildo Krop voornamelijk bezig met het vervaardigen van oorlogsmonumenten. Dit waren veelal beelden van figuren met vaandels op zuilen al of niet met een  gevallen strijder aan de voeten. Zo vlak na de oorlog waren het dit soort monumenten die gewenst waren om de gesneuvelden te eren. Het is dan ook zeer begrijpelijk dat Krop naast deze minder creatieve uitdagingen, ook veel vrij werk produceerde. Dit betrof veelal keramische plastieken. Hierin kon hij zich helemaal uitleven. Bekend is dat hij met het glazuren en bakprocessen eindeloos bleef experimenteren. Soms ging hij dan net even te ver. Zo ook met deze vaas met Gijsbrecht motieven. Aan de onderkant zijn wat barsten waarneembaar, die hij weer heeft dichtgesmeerd en geglazuurd en opnieuw in zijn oventje gezet.

Dit neemt niet weg dat we hier met een bijzondere vaas te maken hebben. Op deze vaas zien we taferelen uit de Gijsbrecht, zoals die zijn beschreven in Joost van den Vondels’ toneelstuk ‘Gysbreght van Aemstel’:

Het stuk speelt op de dag en de nacht voor kerstmis. Omdat de belegering van de stad niets oplevert, heeft de vijand een list verzonnen. De troepen trekken zogenaamd weg en laten een schip voor de stadswal achter, zo te zien vol met hout. De spion Vosmeer haalt Gysbreght over het schip naar binnen te laten varen – in de winterkou is het hout welkom. Terwijl iedereen in de kerk de kerstnacht viert, komen er uit het schip echter soldaten tevoorschijn die de stadspoorten openen. Met veel geweld wordt de stad ingenomen, waarbij leden van het geslacht Aemstel bruut vermoord worden. Aanvoerder Gysbreght wil zich doodvechten ondanks de protesten van zijn vrouw Badeloch. Uiteindelijk gaat hij toch in ballingschap, met zijn gezin en een groep Amsterdammers, omdat de engel Rafaël dat namens God beveelt. Rafaël voorspelt aan het slot van het stuk dat Amsterdam zal herrijzen als een machtige koopmansstad.

koggescheepjes en ridders te paard

vijandelijk tentenkamp en vijandelijk schip buiten de stad

gevangene Vosmeer en poortwachter

brand oude stadhuis en Gijsbrecht op de Schreierstoren

bisschop Gozewijn met nonnen en Gijsbrecht met Badeloch en engel Gabriel

Leuk te vermelden is dat Krop bij één van de geboetseerde taferelen (Gijsbrecht op de Schreierstoren) de Gijsbrechtfiguur plaatst in een pose die hij later nog eens herhaalt, namelijk bij het ‘Schip in aanbouw’ (Mo54) uit 1958/59. Het mannetje met de rechterarm hoog. Het mannetje dat tevens het logo van het Hildo Krop Museum is geworden.

De vaas is in 1960 in het bezit gekomen van het Amsterdam Museum toen de omvangrijke kunstcollectie van de in 1954 overleden zakenman en kunstverzamelaar Willem Dreesmann werd geveild. De verzameling ademde in alles zijn geboortestad Amsterdam. Dreesmann bouwde hem op over een lange reeks van jaren, daarbij geadviseerd door andere verzamelaars. Volgens de verhalen vertrok Willem na het avondeten steevast naar zijn werkkamer om in veilingcatalogi naar nieuwe aankopen te speuren. Binnen deze collectie bevond zich ook de vaas met motieven naar de ‘Gijsbrecht’ van Hildo Krop.

bronnen:
Harry Hosman, De ondergang van het Dreesmann-museum en de slag om de zoutvaten, Ons Amsterdam, 2018
Thijs Boers, Amsterdam Museum, 2021
www.literatuurgeschiedenis.org/17e-eeuw/gysbreght-van-aemstel-en-de-amsterdamse-schouwburg

V 74 – Lopend paar

Beeldentuin De Havixhorst (Meppel)
bruikleen van Beelden aan Zee

ca. 1928

muschelkalksteen, ca 80 cm

Oorspronkelijk stond dit beeld in de tuin van het buitenhuisje van Hildo Krop in Schoorl. Het laat een paar zien dat elkaars hand vasthoudt. Het zijn opvallend grote en betekenisvolle handen, die de verbondenheid tussen man en vrouw weergeven. Krop bleef zijn hele leven trouw aan een herkenbare beeldtaal. Een beeldtaal met de dynamiek van de actieve mens. “Zodra je je op het terrein van de kunst beweegt, zeg ik gemeenschap”, aldus Krop, “en de kleinste eenheid van een gemeenschap bestaat uit twee mensen, een man en een vrouw”.

V 181 – Kop

verblijfplaats onbekend

1962 – 63

roze geaderd marmer, 25 cm

Vrijwel gelijktijdig met de ‘Hurkende man’ uit roze geaderd marmer (V182), hakte Hildo Krop in 1962-63 uit dezelfde steensoort nog een kunstwerk met de titel ‘Kop’. 

Hoewel Krop weinig affiniteit had met de abstracte beeldhouwkunst van bijvoorbeeld Tajiri en Couzijn en al helemaal niet met de ijzeren constructies van Volten, zien we in zijn latere vrije werken steeds meer abstractie ontstaan. Deze kop uit 1962-63 bijvoorbeeld, is voor Krop behoorlijk abstract te noemen en enigszins vergelijkbaar, qua abstractie, met zijn ‘Opvliegende vogel’  (V176) uit 1961.

Meisjeskop Cora de Stuers

particuliere collectie
Hildo Krop Museum, Steenwijk

ca. 1918

syeniet, ca. 31,5 cm
gips (Hildo Krop Museum), 31,5 cm

In 2016 was het Stedelijk Museum de tentoonstelling ‘Wonen in de Amsterdamse School’ aan het voorbereiden, waarbij ook bij particulieren objecten werden geleend. Bij de zoektocht naar kunstwerken van de Amsterdamse School, kwam men ook een eikenhouten kast van Hildo Krop tegen. Boven op deze kast stond een hardstenen meisjesportret. Bij het Stedelijk ontstond het vermoeden dat dit werk wellicht ook van Hildo Krop zou kunnen zijn. Krop gebruikte het materiaal syeniet eind jaren tien van de vorige eeuw regelmatig voor portretkoppen. Zowel de kast als het meisjeskopje werden voor de tentoonstelling geleend. In de tentoonstellingscatalogus waar het meisjeskopje ook op de eikenhoutenkast te zien is, wordt  vermeld: ‘Bovenop de kast een gebeeldhouwd meisjeskop, vermoedelijk ook door Krop gemaakt, circa 1916’.

foto’s: catalogus Stedelijk Museum Amsterdam / Erik & Petra Hesmerg

De toenmalige conservator van het Hildo Krop Museum herkende bij een bezoek aan de tentoonstelling in het Stedelijk Museum dit kopje. Dit kinderportret is namelijk ook aanwezig in de Hildo Krop gipscollectie van het Steenwijkse museum. Hiermee werd duidelijk dat het in het Stedelijk Museum tentoongestelde meisjesportret inderdaad van Hildo Krop is.

Het geportretteerde meisjeskopje is een verbeelding van de negenjarige Cora de Stuers (1909-2002), een nichtje van Dirk Hannema, voormalig directeur van Museum Boijmans (van 1921 tot mei 1945) en oprichter van de ‘Stichting Hannema De Stuers Fundatie’.

In de oeuvrecatalogus van Lagerweij-Polak staat op pagina 124 een verwant meisjesportret (V19) uit 1917-18 in syeniet afgebeeld.

bron: e-mail Frans van Burkom/Hans Bakker

V 30 – Eekhoorn

verblijfplaats onbekend

1919 of vroeger

palmhout, ca. 27 cm

In 1919, mogelijk nog eerder, sneed Hildo Krop uit palmhout een naar beneden loerende eekhoorn. De enige afbeelding die bekend is van dit werkje is te vinden op een foto die zich in de collectie van het Hildo Krop Museum bevindt. Naast dit eekhoorntje zien we ook de pottendraaier van de gevel van de Steenwijkse ESKAF-fabriek (B 18) en een witte ESKAF vaas (nr. 118).

V 145 – Vrouwelijk naakt – Zwolle

(staand zonder armen)

Museum de Fundatie, collectie Hannema-de Stuers Fundatie, Zwolle en Heino/Wijhe

ca. 1950

wit geglazuurde keramiek, 26,5 cm

Dit keramische Vrouwelijk naakt van Hildo Krop werd in februari /maart 1984 door Kunsthandel G.J. Scherpel B.V. in Den Haag getoond op de “Herdenkingstentoonstelling Hildo Krop 1884-1970 Beeldhouwer en Ceramist”. Na deze tentoonstelling kocht Dirk Hannema dit werk en bracht het vervolgens als schenking onder in de door hem opgerichte Stichting Hannema-de Stuers Fundatie.

bron en foto’s: Museum de Fundatie, Zwolle

Staand naakt jongetje

ca. 1950-1953

particuliere collectie

polychrome geglazuurd keramiek, 37,5 cm

Dit keramische beeldje van een naakt kinderfiguur stamt waarschijnlijk uit het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw.

Het werd in 2013 bij een veilinghuis aangeboden. Daar werd gesuggereerd dat het geportretteerde jongetje een buitenechtelijk kind van Krop zou zijn.

Man met meisje op zijn knie

verblijfplaats onbekend

ca. 1937

steen, afm. niet bekend

In de oeuvrecatalogus van Lagerweij-Polak staat op pagina 129 een rubriek ‘onvoltooid werk in steen’. In deze rubriek wordt een beeld genoemd met de titel ‘Man met meisje op zijn knie’. Op twee foto’s uit het archief van het Hildo Krop Museum met afbeeldingen van het atelier van Hildo Krop is dit werk te zien. Opvallend is de gelijkenis van Krop met het mannenfiguur. Ook is waarneembaar dat het model, dat voor het meisje heeft geposeerd, al vaker voor Krop model heeft gestaan. Voor het lopend vrouwelijk naakt (V 110) uit 1937 heeft dezelfde vrouw model gestaan. Het is aannemelijk dat dit onvoltooide beeld ook in dezelfde periode ontstaan is.

Waarom het werk niet is voltooid en waar het is gebleven is niet bekend.

V 22 – Drie presse-papiers

verschillende particuliere collecties

1918 of vroeger

a. kameleon
b. dolfijn
c. egel

koper, a. 9 cm – b. 7,5 cm – c. 7,5 cm

Van deze serie van drie dieren zijn van elk, zes genummerde exemplaren afgegoten. Waarschijnlijk heeft het palmhouten egeltje uit 1917 (V 17) model gestaan voor het derde diertje uit deze serie.

In de collectie Kunstmuseum Den Haag bevinden zich de gietvormen van deze presse-papiers.

Er bestaat nog een presse-papier, welke wordt toegeschreven aan Hildo Krop. Dit werkje, een paling, stamt waarschijnlijk uit dezelfde tijd als de hierboven genoemde presse-papiers.

V 136 – Jongensportret van L.J.F.P.H. S. (Strengholt)

verblijfplaats onbekend (brons)
Hildo Krop Museum, Steenwijk (gips)

1946 – 47

brons – gips, 31 cm

Dit portret van een jongen uit het omvangrijke geslacht Strengholt maakte Hildo Krop vlak na de oorlog. Het is niet duidelijk wie deze jongen is. Waar dit mooie jongensportret in de brons uitvoering zich bevindt is ook niet bekend.

V 112 – Rustend paar

Particuliere collectie

ca. 1938-41

marmer (rosé aurore), 25 cm

beton, gedeeltelijk gehakt, 73 cm

De kleinzoon van Hildo Krop vertelt in de documentaire ‘Beeld van een kunstenaar’ (2018) over het ontstaan van dit rustende paar. Kleinzoon Hildo jr. zit aan een tafel achter dit fraaie marmeren beeld. Hij vertelt dat zijn grootvader op een ochtend de kamer van zijn zoon Johan was binnengelopen en hem in bed liggend aantrof met een vriendin. Een snelle blik van de beeldhouwer was genoeg om deze situatie in zijn geheugen te prenten. Een paar maanden later, op de verjaardag van zijn zoon, schonk hij dit marmeren beeld als verjaardagscadeau.

Voor het zover was maakte Krop eerst een schets in gips. Dit model, dat hij later afgoot in beton, is drie keer de afmeting van het marmeren beeld. Dit afgegoten model is te vinden in de collectie van het Hildo Krop Museum in Steenwijk. Bij de marmeren versie heeft Krop zijn zoon slapend weergegeven.

V 110 – Lopend vrouwelijk naakt – Steenwijk

1937

brons, gips, aardewerk, 104 cm

brons: verblijfplaats onbekend
gips en aardewerk: Hildo Krop Museum, Steenwijk

Dit ‘Lopend vrouwelijk naakt’ van Hildo Krop is een bijzonder beeld, dat een nadere beschouwing oproept. In Lagerweij-Polak is zo goed als geen informatie over het werk te vinden. Slechts het jaartal en de afmeting wordt vermeld en dat het beeld in brons is afgegoten. Het Hildo Krop Museum bezit een foto van een fragment van dit bronzen beeld.

Daarnaast zijn er in de museumcollectie twee andere varianten van het beeld te vinden: het origineel in gips en een uitvoering in geglazuurd chamotte aardewerk. Omdat Krop het werk in verschillende uitvoeringen heeft gemaakt, is het aannemelijk dat hij dit werk geslaagd vond. En terecht! Met het naar rechts overhellend, enigszins getorst bovenlichaam lijkt het of deze vrouw echt loopt. Ook het fraai krullend haar en het karakteristieke hoofd van de vrouw, maakt dit werk belangwekkend.

Dit ‘Lopend vrouwelijk naakt’ is waarschijnlijk geen opdracht en behoort tot het zogenaamde vrije werk van Krop. Voor naakten maakte Krop vrijwel altijd gebruik van modellen. Vaak was het beeld dat Krop van zo’n model maakte een interpretatie van het lichaam, zoals bijvoorbeeld bij het ‘Zittend vrouwelijk naakt’ (V 96) uit 1934. Bij het ‘Lopend  vrouwelijk naakt’ heeft de beeldhouwer het model natuurlijk weergegeven. Mogelijk heeft Dorothea la Ververe voor dit werk model gestaan, zoals een notitie in het museumarchief suggereert.

geglazuurd chamotte aardewerk

V 119 – Doodsportret mevrouw Th. Mann-Bouwmeester – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

1939

gips, 47 cm

Hildo Krop was al vroeg bekend met het Nederlandse theater. Aan het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw vroeg de danseres-choreografe Gertrud Leistikow hem een aantal maskers te maken voor haar dansvoorstellingen (Ma1). Ook voor de acteur-regisseur Albert van Dalsum maakte Krop toneelmaskers (Ma2). In de loop der jaren kende Krop veel toneelspelers, waarvan hij enkele geportretteerd heeft, zoals Charlotte Köhler (V126), Fien de la Mar (V120) en dit doodsportret van Theo Mann-Bouwmeester.

Theo Mann-Bouwmeester (1850-1939) maakte haar debuut als zevenjarige. Sarah Bernhardt was haar inspiratiebron, die zij in 1880 in Amsterdam zag optreden. Datzelfde jaar beleefde zij haar eigen doorbraak bij het grote publiek.

Zij had een breed repertoire, van klassieke tragedies tot eigentijdse stukken en was lange tijd Nederlands bekendste actrice.

Sinds 1955 wordt jaarlijks de naar haar genoemde Theo d’Or verleend voor de beste vrouwelijke hoofdrol gedurende het seizoen.

bron: wikipedia

V 120 – Portret mevrouw Fien de la Mar

particuliere collectie

1939

brons, 33 cm

Hildo Krop maakte dit portret van Fien de la Mar (1898-1965) een jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Krop was al vroeg bekend met het Nederlandse theater. Aan het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw vroeg de danseres-choreografe Gertrud Leistikow hem een aantal maskers te maken voor haar dansvoorstellingen (Ma1). Ook voor de acteur-regisseur Albert van Dalsum maakte Krop toneelmaskers (Ma2). In de loop der jaren kende Krop veel toneelspelers, waarvan hij enkele geportretteerd heeft, zoals Theo Mann-Bouwmeester (V119), Charlotte Köhler (V126) en van het grote en veelzijdige talent Fientje de la Mar, ‘de koningin van het Nederlandse cabaret’.

In de vooroorlogse Nederlandse geluidsfilms, waaronder De Jantjes (1934), Bleeke Bet (1934), Op stap (1935) en De spooktrein (1939), was zij dé ster.

bron: wikipedia

Vruchtbaarheidsbeeldje – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

ca. 1950

hout, 64 cm

Bij de in 1999 door het Hildo Krop Museum verworven atelierinventaris van Hildo Krop, kwam ook deze naakte vrouwentorso mee. Dit bijzondere vruchtbaarheidsbeeldje is uit een tak gesneden. Het linkerbeen  wordt omvat door een slangenkop. Het slangenlijf mondt uit in een ring waar een touwtje aan vast zit met bosjes tarwe- en gersthalmen als vruchtbaarheidssymboliek. De slang wordt hier bedoeld als het eeuwig durende leven.

Het hoofd van de vrouw is gebeeldhouwd aan de vlakke bovenzijde van de afgesneden tak. Zij heeft de handen op de rug.

V 83 – Zittende vrouw met kindje

verblijfplaats onbekend

ca. 1930

brons, 38 cm

In het depot van het Hildo Krop Museum in Steenwijk liggen fragmenten in gips opgeslagen van het monumentale reliëf, dat in een bronzen uitvoering de ingang van de Bijenkorf in Den Haag sierde (B53a). Deze imposante wandplaat, van twee meter hoog, is helaas verloren gegaan. Van de gips restanten is een reconstructie gemaakt.

Hierop is de zittende vrouw met een kindje te zien waarvan Hildo Krop rond 1930 een bronzen uitwerking heeft gemaakt. Hoe dit bronzen beeldje van 38 cm hoog er exact heeft uitgezien is niet bekend. Omdat de verblijfplaats van dit werkje niet bekend is, zullen we het met het gipsen voorbeeld moeten doen.

Wandelend paar – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

ca. 1950/60

terracotta, 20 cm

De vrouw en dan met name de moeder, was volgens Hildo Krop de bron van het leven. Veelvuldig heeft hij dat beeld in zijn oeuvre vorm gegeven. Maar ook het paar, man en vrouw, zittend, staand, minnend, lopend, zoals bij dit terracotta beeldje uit de jaren 50 van de vorige eeuw, is veel voorkomend in zijn werk. In dit bijzondere beeldje laat Krop zowel het contrast tussen man en vrouw zien, als de eenheid die ontstaat tussen de twee seksen. Dit wordt extra geaccentueerd doordat het paar elkaar op de rug vasthoudt. De moeder mag dan de bron van het leven zijn, maar voor het voortbestaan van het menselijk leven is de eenheid van man en vrouw noodzakelijk.

Deze wandelende man en vrouw heeft het Hildo Krop Museum in langdurige bruikleen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

Lopend paar – Steenwijk

Hildo Krop Museum, Steenwijk

ca. 1949

polychroom geglazuurd terracotta, 26 cm

“De keuze voor het thema man/vrouw, (echt)paar kan niet los worden gezien van Krop zijn credo: Kunst en gemeenschap dienen onverbrekelijk met elkaar te zijn verbonden. Een kunstenaar is een dienaar van de gemeenschap, waarbij hij het woord gemeenschap in dit verband altijd met een hoofdletter schreef. Een kunstwerk, zo was zijn opvatting, dient iets te symboliseren en een vorm te hebben die de gevoelens en verlangens vertolkt die bij mensen leven. Aangezien de kleinste eenheid, waar een gemeenschap door wordt gevormd, uit twee mensen bestaat, een man en een vrouw, ligt hier ten diepste de verklaring voor Krop zijn niet aflatende keuze, gedurende zijn gehele leven, voor juist dit thema”.

(citaat Wim Heij: Nieuwsbrief nr. 14 – juli 2017 – Hildo Krop Museum).

V 130 – Staande vrouw met tak lelies

verblijfplaats onbekend

1944

Portlandstone, 114 cm

Van deze staande vrouw met lelietak heeft het Hildo Krop Museum een gipsen model in de collectie. De enige afbeelding van dit kunstwerk in Portlandstone is te zien op een foto  van het atelier van Krop, gemaakt door Johan Krop, de zoon van de kunstenaar. Dit beeld is ontstaan vanwege een opdracht voor een monument voor een cacaofabriek in de Zaanstreek (Mo22).
Waarschijnlijk was Krop zo tevreden over het resultaat dat hij naast dit monument, dat in brons werd afgegoten, ook dit werk in Portlandstone hakte en wel twee keer zo groot als het gipsmodel.
Waar dit beeld zich bevindt is niet bekend.

gipsen exemplaar in het Hildo Krop Museum