Categoriearchief: jeugdpagina’s

Het paard

Als er één dier is die je de favoriet van Hildo Krop kan noemen, is het wel het paard. Eigenlijk vond hij alle hoefdieren leuk. Hij heeft gazellen, steenbokken, herten en reeën vaak getekend en in steen en hout gemaakt.

springende gazelle - Wendingen

Maar het paard is toch wel het meest voorkomend dier in zijn werk. Dat is ook niet zo gek want Hildo Krop werd geboren in 1884 en toen was het paard in de stad heel gewoon. Ook nog toen hij in 1908 in Amsterdam ging studeren op de kunstacademie. Zelfs de trams werden toen nog door paarden getrokken. Ook het vrachtvervoer ging met een paard voor een wagen. Hildo Krop maakte van zo’n trekpaard een schilderij.

Als Hildo Krop een beeld ging maken, bijvoorbeeld een paard, ging hij eerst allemaal studies maken. Hij keek hoe het dier stond en hoe de spieren werkte. Hij maakte hier eerst tekeningen van:

Daarna ging hij in klei een eerste vorm van het beeld maken:

Dan kon hij pas aan het echte beeld beginnen. Zoals het grote paard met het meisje ervoor op het Muzenplein in Amsterdam. Zulke grote paarden maakte hij vaker. Op een schoolgebouw aan de Jozef Israëlskade staat  ook zo’n groot paard aan de gevel. Ook voor een brug in Den Bosch maakte Hildo Krop zo’n dier.

Hildo Krop zette paarden ook op klokken:

op munten:

op gevelstenen:

en op trappalen:

Toen Hildo Krop in 1916 voor de gemeente Amsterdam ging werken was zijn eerste opdracht een gevelsteen voor een schoolgebouw in Amsterdam oost. En wat maakte de beeldhouwer?  Een ruiter op een paard:

transvaalse boer - foto: 26.04.2011

Circus

Of Hildo Krop een regelmatige bezoeker was van het circus weten we niet. Wel komen er bij het circus veel dingen voor die ook in het werk van de beeldhouwer terug te vinden zijn. Denk alleen maar eens aan al de paarden in het circus.

paardentrainer

Wilde dieren zoals olifanten en leeuwen mogen niet meer optreden in het circus. De huisvesting, verzorging,  de training en het vervoer van de dieren in circussen liet vaak veel te wensen over. Tijdens optredens moesten de dieren kunstjes vertonen, die zij onder dwang en op een dieronvriendelijke manier aangeleerd kregen. Ook verbleven de dieren in zeer krappe, kale hokken. De circusdieren waren dan ook vaak ziek.

Wat we nu nog wel in het circus kunnen zien zijn acrobaten. Mensen die hele moeilijke gymnastiek oefeningen doen, soms heel hoog in de circustent. Hildo Krop heeft eens een houten beeldje gemaakt van een acrobaat die een bal op zijn voeten rond draait. Als je goed kijkt is het geen bal, maar een slang met een vreemde kop.
En natuurlijk is in het circus de clown heel belangrijk. Hildo Krop heeft ook regelmatig van de clown beeldjes gemaakt. Net als bij zijn maskers en de faunen vond hij het leuk om clowntjes te maken, omdat ze zulke leuke vormen hebben.
Hildo Krop heeft zijn clowntjes op verschillende manieren gemaakt. Als kleine beeldjes van keramiek, gebakken in zijn eigen oventje:

nog een clowntje:

drie clowntjes:

als tegeltjes voor aan de gevel van een kleuterschool in Amsterdam:

en als gevelsteentjes van gebakken aarde voor een gymnastiekzaal van een school, ook  in Amsterdam:

Maskers

Hildo Krop is vooral bekend als de stadsbeeldhouwer van Amsterdam. Maar hij deed veel meer dan alleen maar beeldhouwen. Hij maakte ook meubelen, boekbanden, houtsnijwerk, aardewerk, schilderijen, tekeningen, penningen en … maskers. Hij maakte maskers voor het toneel en theater. In de jaren twintig van de vorige eeuw werden maskers voor toneelvoorstellingen vaak gebruikt. Dit was een best handig hulpmiddeltje, want als je achter in de zaal bij een toneelvoorstelling zat, zag je bijna niets van de toneelspeler. Je zag in de verte een poppetje die zijn rol speelde en wat rond liep. Met een masker op moest de speler zijn hele lichaam gebruiken om de mensen in de zaal duidelijk te maken wat hij bedoelde. Ook kon je in de hele zaal veel beter de kop zien van de speler. Zo’n kop had dan door z’n vorm en kleur en bijzondere uitstraling.

Ook was het masker handig als je niet zoveel toneelspelers had. Net als bij de poppenkast kon je makkelijk van figuren wisselen. Had je een ander figuur nodig, dat pakte je een andere pop. Had je op het toneel een ander figuur nodig, dan zette je gewoon een ander masker op.

Voor een masker voor een bepaalde dans had Krop zelfs zijn eigen hoofd als voorbeeld genomen. Niet dat hij er echt zo uitzag, maar met die grote wenkbrauwen leek hij er wel een beetje op. 

 Hildo Krop maakte zijn maskers van papier maché. Dit is erg handig voor maskers, omdat het erg licht materiaal is. Wel zo prettig als je moet toneelspelen of dansen met een masker.

Probeer zelf ook eens een masker te maken:

Papier-maché wordt gemaakt door met een lijm (bijvoorbeeld stijfsel of behangplaksel) papier op een mal te plakken. Zo’n mal kan bijvoorbeeld een opgeblazen ballon zijn.

Dompel stroken krantenpapier in het aangemaakte mengsel van water en kleefpasta, die je in een schaal of kom hebt gedaan. Plak de stroken in meerdere lagen op de opgeblazen ballon. Maak op het masker een neus, oren, mond en wenkbrauwen door het papier in de gewenste vorm te duwen. Voor de ogen moet je gaatjes maken, anders zie je niets als je hem straks opzet.  Nu kan het drogen. Als het papier-maché gedroogd is, is je masker bijna klaar. Hierna kan je het nog bewerken door het bij te knippen en te beschilderen.

Amsterdamse bruggen 3

Begin twintigste eeuw was Amsterdam veel te klein geworden voor alle mensen die in de stad woonden. De beroemde architect Berlage maakte in 1915 een plan om in Amsterdam Zuid een nieuwe wijk te bouwen.

Deze wijk werd gebouwd ten zuiden van de De Lairessestraat en de Pijp. Hier dwars doorheen werden twee grachten gegraven. Het Noorder Amstelkanaal en het Zuider Amstelkanaal. Dit water loopt van de Amstel tot aan de Schinkel bij het Olympisch Stadion. Over dit water moesten natuurlijk veel bruggen worden gebouwd. Voor de meeste van deze bruggen kreeg Hildo Krop de opdracht om er beelden voor te maken.

De beroemdste brug is wel de brug bij het Muzenplein, die ook wel de ‘Kinderbrug’ genoemd wordt.  Hildo Krop maakte een heel hoog beeld van een steigerend paard met tussen de voorhoeven een klein meisje.

Dat meisje bestond echt. Haar naam was Hedda van Gennep. Zij vertelde dat het beeld goed lijkt, als ze naar vroege foto’s van haar kijkt. Haar ouders waren bevriend met Hildo Krop. Op een dag was ze met haar vader en moeder op bezoek bij meneer en mevrouw Krop. En de beeldhouwer heeft toen een portretje van haar gemaakt, die hij gebruikte voor het meisje met het paard. Ook vertelde zij: “Hildo Krop was een leuke man, hij had pretoogjes. En hij had prachtige wenkbrauwen, van die grote grijze plukken die eindigen in een krul. Altijd als ik langs dat beeld fiets, en dat is vaak, denk ik: dat ben ik. En dat vind ik heel grappig.”

Voor dezelfde brug, tegenover het Meisje en het Paard, maakte Krop nog twee beelden: een jongen met konijnen en een meisje met eekhoorns.

Aan de waterkant, schuin achter het Meisje en het Paard, bevindt zich in het plantsoen een rij beeldjes van kinderen gemaakt door andere beeldhouwers.

Ook een hele leuke brug is die bij de Mozartkade en de Reijnier Vinkeleskade. Een brug met muziek makende fauntjes.

Ze staan tegen grote bollen geleund, één met trekharmonica en één met een mandoline. Rond beide bollen zie je een watermonster die hun staarten rond de bol hebben geslingerd. Hildo Krop laat hier de fauntjes met hun muziek de monsters rustig indutten, zodat ze geen kwaad kunnen doen.

Amsterdamse bruggen 2

Begin twintigste eeuw was Amsterdam veel te klein geworden voor alle mensen die in de stad woonden. Er waren veel te weinig huizen. Daarom werden rond het oude centrum nieuwe wijken ontworpen. Omdat vroeger in Amsterdam veel goederen met bootjes werden vervoerd, werden in deze nieuwe wijken ook grachten gegraven. En over deze grachten moesten natuurlijk bruggen komen. Voor twee bruggen aan de Jan van Galenstraat in West maakte Hildo Krop beelden met dierfiguren.

Op een muurtje ligt een groot watermonster. Een dikke slang, die maar net op het muurtje past. Als je in z’n bek kijkt zie je een mannetje naar buiten komen.

De volgende brug ligt vlak voor het Erasmuspark. De beelden die je hier ziet zijn Noord, Zuid, West en Oost: de vier windstreken (daarom heet deze brug de ‘Vier windstrekenbrug’).

Bij het beeld van Noord zie je een bewoner van Groenland (dit is vlak bij de noordpool). Hij heeft een dikke jas aan want het kan er erg koud zijn. Het kan in de winter soms wel 50 graden vriezen. Naast hem zie je een mannetje en een vrouwtje walrus. Deze dieren zijn in het echt wel 3 ½ meter lang en wegen zo’n 1000 kilo. Ze hebben een hele dikke vetlaag om ze te beschermen tegen de kou.

Bij West zie je een zakenman met een telefoon. Dit is nog een ouderwetse telefoon, in de jaren 30 van de vorige eeuw waren er nog geen ‘smartphones’. Hij rijdt in grote auto’s en belt met de bank voor zijn geld.

Aan de overkant zie je het Oosten. Hier staat een Chinees bij de pakhuizen aan de haven in China. Met die grote schepen worden allerlei spullen uit het oosten vervoerd. Dat gebeurt nog steeds, alleen zijn het nu containerschepen met wel tien keer zoveel vracht als in de vorige eeuw.

Het laatste beeld is Zuid met een leeuwenpaar. In Afrika heb je veel wilde dieren en de leeuw wordt wel de koning van het dierenrijk genoemd. De bewoners in Afrika gingen vroeger met speren jagen op de dieren om aan eten te komen. Dat gebeurt gelukkig al lang niet meer.

De raadselachtige faun

Een faun? Wat is een faun en wat doen die?

Pan is de Griekse god van de herders. Hij heeft horens en het onderlijf van een bok. Faunus is de Romeinse god van de natuur. Ook hij draagt horens. Zijn volk bestaat uit faunen: half geit, half mens, zowel mannen als vrouwen. De Griekse Pan en de Romeinse Faun worden vaak voor één en dezelfde figuur gezien.

Van ongeveer van 1916 tot 1930, komt de faun vaak voor in het werk van Hildo Krop. Zijn faunen zagen er uit zoals dat eigenlijk al eeuwen gebeurde: een mensachtig figuur met hoorns, puntige oren, een krulstaartje en bokkenpoten.

Krop laat zijn faunen verschillende dingen doen, zoals muziekinstrumenten bespelen op de brug van de Stadionweg/Reijnier Vinkeleskade in Amsterdam Zuid en tegen de gevel van een school in de Schermerstraat in Amsterdam Noord.  

In het centrum van Amsterdam, op het spoorwegviaduct bij de Spaarndammerstraat, zien we hem de last van de hele wereld dragen.

Aan een gevel in de Sint Agnietenstraat in Amsterdam steekt de faun een slangachtig monster neer.

In Amsterdam zijn nog veel meer faunen van Hildo Krop te vinden, maar ook bijvoorbeeld in Utrecht en Almelo. Om die te vinden, klik onderstaande nummers aan:

B20  – B35  – B44B52  –  B54  –  B72  –  B74

Amsterdamse bruggen 1

In 1916 ging Hildo Krop werken bij de Gemeente Amsterdam. Voor een halve werkdag kreeg hij  zeven-en-een-halve gulden, dit is omgerekend € 3,40. Voor dit loon moest hij voor elke opdracht een ontwerp in klei en een gipsafgietsel maken en natuurlijk het uiteindelijke beeldhouwwerk, dat meestal gehakt werd in steen. Deze overeenkomst werd tot aan zijn dood in 1970 nooit meer veranderd. Natuurlijk kreeg hij af en toe wel loonsverhoging.

Begin twintigste eeuw moesten in het centrum van Amsterdam veel bruggen worden verbouwd. Door de zware ijzeren trams die in de stad  verschenen moesten de bruggen breder en steviger gemaakt worden.

In de Amsterdamse Leidsestraat werden de vernieuwde bruggen voorzien met beeldhouwwerk van Hildo Krop. Dit waren de eerste beelden aan bruggen in zijn nieuwe baan.

Hij maakte één model van een lange platte steen met een kop aan de voorkant en dezelfde kop aan de achterkant. Op elke hoek van de brug kwam zo’n steen. Dat deed hij voor de drie bruggen over de Heren-, Keizers- en Prinsengracht, zodat hij twaalf precies dezelfde stenen moest hakken.

Ook de brug over de Keizersgracht bij de Westertoren werd vernieuwd. Krop hakte voor beide kanten van de brug een kop van een faun. Een faun is een fantasiedier uit de Griekse mythologie. Een half mens en half dier met een kop met hoorns, bokkenpoten en een krulstaartje. Dit faunfiguur zal later nog vaak voorkomen in het werk van Krop.

faun

Aan de zijkant van de faunkop kan je een stel raven zien zitten. En als je goed kijkt zie je ook nog net onder de ijzeren leuning twee kikkerkoppen.

Als je voor het beeld staat en je neemt een stapje terug lijkt het net of de faun op een dwarsfluit blaast.

Wil je meer faunen zien? Ga naar ‘De raadselachtige faun’

Bakker

De vader van Hildo Krop was een bakker. Het zag er naar uit dat Hildo Krop ook banketbakker zou worden. Hij ging het bakkersvak leren, eerst bij zijn vader in de bakkerij en later ook bij andere bakkers in Nederland. Het leukst vond hij het versieren van taarten. Dat deed hij heel kunstig met bloemetjes en figuren van marsepein.

Het is dan ook niet zo gek dat hij er later voor kiest om beeldhouwer te worden. Als je goed naar zijn beelden kijkt, dan kan je nog altijd zien dat hij voor banketbakker had geleerd. Vaak zie je in zijn vroege beelden verschillende soorten bloemen, maar die lijken verdacht veel op koekjes en taartjes.

Kun je ontdekken bij welke beelden deze bloemetjes-koekjes horen. *)

*)  oplossing:
afbeelding 1: klik
afbeelding 2: klik
afbeelding 3: klik
afbeelding 4: klik
afbeelding 5: klik

Dierenbeeldjes

Hildo Krop had zijn werkatelier aan de Plantage Muidergracht in Amsterdam. Dat is om de hoek bij Artis. De beeldhouwer ging dan ook vaak naar de dierentuin om tekeningen te maken van allerlei dieren. Deze tekeningen kon hij later gebruiken voor zijn werk. Met klei maakte hij verschillende dierfiguurtjes. Daarna ging hij ze beschilderen en bakte ze in een oventje. Deze gebakken beeldjes werden geglazuurd. Dit is een doorzichtige glimmende laag over het beeldje. Hierdoor komen de kleuren mooier uit. Hildo Krop deed zijn beeldjes soms wel vijf keer in de oven, met steeds weer een nieuwe laag glazuur. Zo kreeg hij heel bijzondere beeldjes.

Krop maakte op deze manier dieren van groot tot klein. Soms ook beesten die helemaal niet bestonden. Een heel bijzonder dier was de ‘Tijzel’. Dit beest heeft het achterlijf van een tijger en de kop van een ezel.

Tijzel

De voorwerpen die van gebakken klei zijn gemaakt noemt men KERAMIEK. Het woord ‘keramiek’ komt van het Griekse keramos, wat drinkvat of aardewerkvat betekent.



Kleurplaat

Als het nou is een keer een regenachtige dag is en je weet niet wat je moet doen … print dan de kleurplaat uit en ga hem inkleuren.

Pas op dat je binnen de lijntjes blijft, want rechts onderaan staat de beeldhouwer zelf. Hij houdt alles in de gaten.

Misschien is het ook leuk om te proberen uit te zoeken welke dieren zijn afgebeeld *).

*) oplossing:

bovenste rij links: klik
bovenste rij midden: klik
bovenste rij rechts: klik
middelste rij links: klik
middelste rij midden: klik
middelste rij rechts: klik
onderste rij links: klik
onderste rij midden: klik
onderste rij rechts: klik