Onderzoeksfragmenten

29 september 2019

Veldgrauw

Afgelopen vrijdag, net toen ik een moedeloze zucht slaakte  bij het  lezen van de kop in NRC boeken, bij de recensie over de studie van Evertjan van Roekel. Veldgrauw. Nederlanders in de Waffen-SS,  over martelende en moordende  SS’sers aan het Oostfront en in Nederland, belde mijn zusje op. Ze wilde met me praten over de eerdere berichten die ik had geschreven over mijn opa en mijn moeder. Is dit toeval? Mijn zusje die zich ooit verdiepte in Jung, zei dat zoiets synchroniteit  wordt genoemd, whatever. Ons gesprek begon moeizaam. Ik zat met mijn hoofd bij vader, terwijl zij juist weer met haar neus op de feiten gedrukt werd over de uitspraken van opa. “Wat denk je. Had hij nou echt niets geweten over de Jodenvervolging?” Ons gesprek eindigde positief. We waren het er beiden over eens dat om de beweegredenen van iemand te begrijpen, je je eerst moet  inleven in diens gedachten en leefwereld. En dat het niet gaat over oordelen. Als er één ding is waarnaar ik op zoek ben gegaan, is het niet gelijk met mijn oordeel klaar staan. Hiermee  wordt niet  hun keuze goedgekeurd of goedgepraat. Omdat ik toch bij wil dragen aan een meer inclusievere geschiedschrijving, over dit nog steeds zo beladen onderwerp, blijf ik er mee bezig, ook al zakt de moed me soms weer in de schoenen.

Recensent Robin ten Slaa noemt deze studie een aanrader. Ik kan, alleen op basis van zijn recensie, dit natuurlijk niet beoordelen, maar alle citaten die hij aanhaalt, heb ik al in andere boeken gelezen.  

Een passage in de recensie als deze blijft kippenvel geven: “De militaire training was aanvankelijk voor talrijke Oostfrontstrijders een ontluisterende ervaring. De minachtende bejegening door Duitse officieren, die hen als een soort merkwaardig dialect sprekende Volksdeutsche beschouwden, wekte verontwaardiging. De behandeling van de volontairs verbeterde snel. Reichsführer-SS Himmler was immers trots op zijn Germaanse vrijwilligers. Zijn Hollandse voetsoldaten kwamen terecht in een kolkende maalstroom van geweld” en daar werd mijn vader dus in meegevoerd.

Voorlopig parkeer ik de raadpleging van de studie voor een later tijdstip.

 

30 augustus 2019

“Ik zag dat er ook veel onheilig vuur op dit altaar brandde”

Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging – foto: eind jaren veertig

Op 13 augustus zit ik weer in de studiezaal van het Nationaal Archief. De week ervoor las ik met rode wangen en oren de getuigenverklaringen over mijn moeder. In het proces-verbaal (15 mei 1945) stelde een getuige dat ze echt sterk beïnvloed moest zijn geweest door het fanatisme van haar verloofde die Rotten-Führer was bij de SS. Zelf zei ze later dat ze vanuit het milieu waarin ze opgroeide,  ze min of meer gedwongen was geweest om voor hem te kiezen. In haar eigen getuigenverklaring stelde ze dat ze niet was omgegaan met Duitse militairen en daarvan dus niet verdacht kon worden. Ik denk dat de ergste vernedering, op straat kaal geschoren worden, met  hakenkruizen in het gezicht getekend door de straten lopen onder gejoel van de omstanders, haar daarom bespaard zijn gebleven. Hoe ze is behandeld in het interneringskamp ben ik niet achter gekomen. Daarover heeft ze weinig los gelaten. Ik heb wel gemerkt dat ze haar oorlogsgeschiedenis heeft willen herschrijven en in haar eigen waarheid is gaan geloven. Zoals in haar verhaal dat ze in het interneringskamp zat in plaats van oma, want oma moest thuis zijn om voor haar jongste zoon te zorgen die in 1945 zes jaar was.  De reden echter dat ze in het kamp zat, was omdat ze lid was geweest van de NSB.

Als ik opa’s dossiermap open, is het eerste wat ik zie een witte envelop. Het is een dichtgevouwen vel wit papier met daarin een foto. Ik kijk naar opa, getooid in een zwart hemd met op zijn hoofd een soort zwarte platte pet. Er zit ook een getuigenverklaring bij die hij heeft afgelegd op 7 augustus 1946 bij het Tribunaal in Rotterdam . Er is onderzoek gepleegd naar het  gebruik van distributiebonnen en zijn dossier en dat van moeder zijn met elkaar in verband gebracht. Moeder  is dan al op 23 mei  voorwaardelijk buiten vervolging gesteld. Heftig lijkt me dat als je moet getuigen tegen je dochter. Heftig ook voor mijn moeder, omdat haar gedragingen opnieuw worden onderzocht. 

Mijn opa is op dat moment gedetineerd in het interneringskamp “Duindorp” in Scheveningen. Op 8 februari 1946 is van hem een proces-verbaal opgemaakt door de Politieke Opsporingsdienst. Ik hoor nog opa’s stem als ik zijn getuigenis lees. Ik was pas 11 jaar toen hij stierf, maar ik kan me hem weer goed voor de geest halen. Opa was een dominante,  aanwezige en directe man met het hart op zijn tong. Uit de getuigenverklaringen komt hij ook naar voren als een eerlijke man. Opa was in 1893 in Hilligersberg geboren en was van beroep tuinder.  Op het moment dat hij gehoord wordt is hij 53 jaar.

“In de jaren 1935 ging het in de tuinderij zeer slecht. Er was overproductie en heel veel groente werd er op de vuilnishoop gegooid en vernietigd. Daar ik een Christelijk man ben, vond ik dat “zonde”. Toen dan ook de N.S.B. in opkomst kwam en haar programma veel verbetering beloofde voor de landbouw en zij de leus voerde te zijn gefundeerd op: “Godsvertrouwen en liefde voor het vaderland”heb ik mijn 12 december 1935 opgegeven als lid bij den Groepsleider van Capelle a.d. IJssel  D. Velderman. Ik ontving daarbij het Stamboeknummer 64690 en verbond mij voor een contributie ter betaling van 5 cent per week. Ook was ik ervan overtuigd dat de N.S.B. Koningsgezind was. Ik vond dit zeer belangrijk, daar ik zelf van huis uit hier in opgevoed ben. Ik ben dan ook 15 jaar lid geweest van de Bijz. Vrijwillige Landstorm en in 1935, op grond van het ambtenarenverbod, door Min. Colijn eervol ontslagen. Ook ben ik vanaf de oprichting af lid geweest van de Oranjevereniging “De Schinkel”en heb ik hiervoor nooit bedankt. Ik ben mij in de jaren na 1935 met hart en ziel gaan geven voor de idealen van de N.S.B. Mijn liefste werk was colporteren met Volk en Vaderland en verdere propaganda-acties.

In 1939 werd ik dan ook Plaatsvervangend Groepsleider van Capelle a/d IJssel. Mijn ideaal is steeds geweest, het ingezonken Nationalisme weer op te bouwen. Toen in 1939 de Groepsleider Burger- Valk werd opgeroepen in Militaire dienst, heb ik zijn werk overgenomen. Ik heb echter nooit mijn aanstelling als Groepsleider ontvangen, hoewel ik het tot september 1944 in feite ben geweest.

In 1936 heb ik de gelofte van trouw van den leider Mussert afgelegd. De inhoud van deze gelofte kwam hierop neer, dat men beloofde wanneer men de Beweging weer verliet, deze niet door valse verklaringen en kwaadspreken te schaden.

Ik bezocht te vergaderingen en de Hagespraken te Lunteren: en ik maakte propaganda wanneer zulks gevraagd werd. In 1936 heb ik een zwart hemd aangeschaft en dit ook gedragen op bijeenkomsten en vergaderingen. In 1940 brak de oorlog met Duitsland uit. Ik ben toen gearresteerd en via het Raadhuis te Capelle a.d. IJssel overgebracht naar Gouda. De 15e mei 1940 werd ik echter weer op vrije voeten gesteld.

Kort nadien heb ik opgave gedaan aan den Kringleider te Rotterdam wie en hoeveel er gearresteerd waren. Verder heb ik daar echter nooit meer iets van vernomen. Ik was niet anti-Duits, maar wel pro-Nederlands en dit laatste in hart en nieren. In mijn houding is na de bezetting geen wijziging gekomen. Door de veranderde politieke koers was er in de tuinderij veel verbetering gekomen en ik was van mening dat een “Welvarend Duitsland” ook een “Welvarend Holland” betekende.

Ik heb in de komende jaren de N.S.B. in Capelle a/d IJssel zo goed mogelijk georganiseerd. Daartoe benoemde ik in 1941 J. Zeeuw als Groepsleider en stelde ik in 1941 en 1942 de volgende personen aan als Blokleiders (…)

Ook benoemde ik als een speciale propagandist n.l. B. Boudestein. Verder stimuleerde ik de propaganda en nam zelf nog voortdurend deel aan colportage met Volk en Vaderland. In 1941 heb ik een N.S.B. uniform aangeschaft  nl. zwarte broek, tuniek en pet. Dit droeg ik op de vergaderingen en bijeenkomsten. De vergaderingen welke door mij werden geleid, werden gehouden in het Café van den Heer H. Den Bruyn aan de Kanaalweg, in de schuur bij L. van den Berg en bij mij thuis. Verder behandelde ik alle correspondentie en zorgde voor propagandamateriaal enz enz. Aan verraad of iets dergelijks heb ik mij echter nooit schuldig gemaakt. Wanneer dergelijke verzoeken of aanklachten bij mij binnenkwamen ben ik daar nooit op ingegaan.

Wel heb ik, door mijn invloed bij de daarvoor aangewezen Duitse instanties aan te wenden, gedaan gekregen dat 2 inwoners van Capelle a/d IJssel, t.w. Jan Schelling en Houweling, welke beiden in Vught gevangen zaten, weer werden losgelaten.

Verder heb ik mij nooit met Duitsers bemoeid of hiermede connecties op zakelijk gebied onderhouden.

Joden waren in onze gemeente  niet, althans ik kende ze niet. Ik had dan ook nooit Actie tegen deze mensen gevoerd, evenmin als ik ooit onderduikers heb verraden.

In het laatste jaar van den oorlog is mijn sympathie voor de N.S.B. wel veel gedaald. Ik zag dat er ook veel onheilig vuur op dit altaar brandde. In september 1944 toen de kopstukken het zinkende schip verlieten heb ik ook radicaal met die Beweging gebroken. Niet uit lafheid, maar vanwege het bedrog wat toen aan het licht kwam en ik heb mij voorgenomen mij er nooit of te nimmer meer mee te bemoeien en dat geldt ook voor alle andere politiek

De 14e october 1920 ben ik gehuwd met Maria van Genderen. Ik heb een gelukkig huwelijksleven gehad en 9 kinderen zijn mij geboren geworden, waarvan de jongste nu 7 jaar is. De 2 jongsten zijn nergens lid van geweest. Dirkje, oud 14 jaar en Pieter, oud 17 jaar, zijn beiden in de Jeugdstorm gegaan. Martinus wilde eerst nergens van weten, maar Izaak oud 21 jaar is , toen hij bij de verplichte te werkstelling naar Duitsland moest,  ik hem op de tuinderij hard nodig had in de Motor W.A. gegaan. Op 5 september 1944 werd hij opgeroepen  voor deze Transport Actie en heeft zich toen in Rotterdam gemeld. Eenmaal heb ik nog bericht van hem gehad en nadien niets meer van hem vernomen. Toen Martinus, oud 20 jaar naar de Arbeidsdienst moest, heeft hij bij mij gedaan gekregen dat hij, om auto te leren rijden, 1 jaar naar de N.S.K.K. mocht. Dit was in juni 1944. Wanneer ik met hem correspondeerde ging dit altijd over de veldpost…

Mijn zoon Pieter is met zijn moeder en met de kleine kinderen in de septemberdagen van 1944 naar Groningen vertrokken. Onderweg is hij bij zijn moeder vandaan gehaald met de mededeling dat hij naar een Jeugdkamp kon en daar goed eten kreeg. In werkelijkheid is hij toen geronseld voor de S.S. (Flak in die Niederlanden)

Toen ik daar kennis van kreeg heb ik daar scherp tegen geprotesteerd bij de verzorgingsofficier te Ermelo, daar ik het een schande vond om een kind van 16 jaar zonder toestemming van de ouders, voor het Duitse leger te ronselen. Persoonlijk heb ik de jongen ook geschreven dat hij nooit geen Frontdienst mocht verrichten. Mijn dochter Martina, oud 23 jaar is nergens lid van geweest. Maar de beide oudste dochters, Maria Christina, oud 24 en Angenieta, oud 25 zijn beiden lid van de N.S.B. geweest te Capelle a/d IJssel. Zij hebben zich wel bij mij opgegeven als lid, hoewel ik er tegen was. Ik vind dat vrouwen niet in de politiek thuis horen en was van mening dat als vader lid was, dit genoeg was. Mijn vrouw is nooit ergens lid van geweest. We hebben samen steeds geprobeerd onze kinderen goed en Christelijk op te voeden. Ik behoor tot de kerk van Den Heer Vlot te Capelle a/d IJssel”.

Opa was op 7 mei 1945 in Capelle aan de IJssel gearresteerd. Hij was gedetineerd in kamp Ommen in Gouda toen hij op 23 juni 1945 een Verzoekschrift schreef “Aan de Advies Commissie tot vrijstelling van gedetineerden te Gouda”.

 “Ondergeteekende (…)verzoekt beleefd vrijstelling van internering, al zou het wezen onder zekeren voorwaarde, b.v. om zich niet buiten zijn huis en tuin te mogen verwijderen

Reden tot vrijstelling zijn de volgende:

Daar ik een Tuinbouwbedrijf uitoefen en daar dit momenteel niet goed functioneerd zulks zeer tot schade aan de voedselvoorziening van ons volk. Tevens het nu van mijn opsluiting niet inziende, op mijn bedrijf zeer nuttig zijnde, acht ik dit de grondslag van mijn reden tot vrijstelling”

Ook oma deed een poging om opa’s versnelde vrijlating te bewerkstelligen. Zij richtte zich tot de Militaire Commissie voor Gouda en omstreken.

Beëdigd eerbiedig te kennen:

  1. Van Genderen echtgenoote van Mees Cinjee, wonende te (…) dat haar echtgenoot Mees Cinjee door de Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten is in bewaring gesteld, als verdacht, lid te zijn geweest van de N.S.B. dat adressante erkent dat haar echtgenoot inderdaad lids geweest van (…), maar overtuigd is dat hij hiertoe niet is overgegaan met on-Vaderlandschlievende of Staatsvijandige bedoelingen (…)

Dat haar echtgenoot steeds bereid was om anderen te helpen wanneer hij hiervoor in de gelegenheid was, wat gedurende de oorlogsdagen voldoende is gebleken, doordat hij vele hulpbehoevenden van voedsel heeft voorzien, tegen normale prijzen, omdat woeker en zwarte prijzen hem een gruwel waren;

Dat toch haar echtgenoot algemeen gunstig bekend staat en andersdenkenden in geen enkel opzicht heeft tegengewerkt of getracht heeft dezen menschen op eenigerlei wijze in moeilijkheden te brengen;

Dat toch haar echtgenoot bekend was met het feit dat diverse personen in zijn omgeving trouwe luisteraars waren van Engelsche radio-uitzendingen, zoomede dat zich in zijn omgeving vele onderduikers ophielden, maar hiervan uit principe nooit melding heeft gemaakt;

Dat haar echtgenoot alzoo niets anders kon worden ten laste gelegd dan zijn lidmaatschap der N.S.B. met als eenig doel de lotsverbetering van de tuindersbedrijven en meer speciaal  het dienen der belangen van zijn gezin;

Dat er naar meening van adressante dan ook voldoende termen aanwezig zijn om haar echtgenoot in vrijheid te stellen, omdat zijn terugkeer in de samenleving zeker niet als een gevaar kan worden beschouwd en door vele als politiek betrouwbare personen zal worden op prijs gesteld.

Redenen waarom adressante zich tot U wendt met het verzoek de gevangenneming van haar echtgenoot wel te willen opheffen.

Capelle a/d IJssel den 5 juli 1945

M Cinjee van Genderen

Opa bleef vastzitten. In december 1945 kreeg hij een advocaat toegewezen. Na het eerste procesverbaal kwam een 2e aanvullend procesverbaal  op 15 juni 1946. Opa was toen gedetineerd in Fort Ellewoutsdijk. Het verhoor ging toen over “dolle dinsdag”.

 “Omstreeks de “dolle dinsdag” in september 1944 zijn mijn vrouw en kinderen gevlucht naar het Oosten des lands. Ik heb mij, als Plaatsvervangende Groepsleider der N.S.B. te Capelle a/d IJssel begeven naar mijn getrouwde dochter te Rotterdam. Tot eind September 1944 ben ik daar gebleven en toen per fiets naar Wedde bij Groningen, waar mijn gezin zich bevond, gegaan. Begin Oktober 1944 stapte ik wederom op de fiets met bestemming Capelle a/d IJssel. Ik reisde over Almelo en ontmoette enkele bekenden uit Capelle a/d IJssel en omgeving, onder anderen mijn broer Izak Cinjee, H. van Mourik en Johan Koolhaas. Aangezien ik het in mijn tuinderij in dat jaargetij toch niet druk had, alsmede mijn vrouw en kinderen naar elders waren uitgeweken, besloot ik in Almelo te blijven. Ik voegde mij bij de mannen van de Transport Actie, welke verblijf hielden in het Hotel Groenendaal. Getekend dat ik bereid was dienst te nemen heb ik niet. Maar door het onderdak en de vrije kost die mij werd verstrekt, voelde ik mij verplicht iets te doen. Zodoende kwam ik in de garage van de Transport Actie, welke was gelegen naast het hotel. Gekleed in een groen werkpak heb ik aan de manschappen, die als chauffeurs dienst deden, olie, vetten en brandstoffen verstrekt. Vanzelfsprekend  verrichtte ik ook verdere voorkomende garage-werkzaamheden. Op wacht gestaan of aan enige militaire handelingen heb ik geen deel genomen. Wapens heb ik, evenals een geldelijke vergoeding niet ontvangen. Doordat ik nimmer een verbintenis had getekend, was ik vrij in mijn doen en laten. Half januari 1945, de tijd van spitten en zaaien in de tuinderij, ben ik, na hier kennis van gegeven te hebben aan een der Hollandse commandanten, naar Capelle a.d. IJssel vertrokken”.

Op 24 september 1946 moet oma bij het Tribunaal verschijnen, omdat opa’s vermogen mogelijk verbeurd verklaard gaat worden.

Zijn zaak komt voor bij het Tribunaal van Rotterdam op 8 oktober 1946 en dit is de uitspraak.

(…) Overwegende, dat voormeld bewezen verklaarde de oplegging van de hieronder vermelde maatregelen wettigt, op grond van de navolgende redenen:

Beschuldigde heeft zich duchtig geweerd bij de organisatie der N.S.B. te Capelle a/d IJssel, bij de bevordering harer propaganda en bij de deelnemen van de z.g. V-actie, terwijl hij heeft toegelaten, dat twee zijner zoons werden ingelijfd bij de M.W.A. en de N.S.K.K. Tuinder zijnde, is hij in 1935 toegetreden tot de N.S.B. als lid en hij is lid gebleven tot September 1944. Uit het verhoor der getuigen is gebleken, dat zijn in de dagvaarding vermeld werk en de wijze van zijn optreden door zijn medestander werd gerespecteerd en dat de beschuldigde als eerlijk werd beschouwd. Nu de beschuldigde heeft erkend in te zien, dat hij volkomen fout gehandeld heeft, is te  verwachten, dat hij in de toekomst zich als een goed vaderlander zal gedragen. Aan de ene zijde houdt het Tribunaal rekening met den ernst van beschuldigdes gedragingen, aan de andere zijde met het feit, dat hij zijn gedragingen tijdens de bezetting als misslagen erkent. Die erkentenis van beschuldigde acht het Tribunaal oprecht”.

Op 16 oktober wordt de uitspraak doorgegeven aan het bewaringskamp Fort Ellewoutsdijk. Opa’s internering duurt nog tot 7 november. Dan wordt hij op vrije voeten gesteld.

Ik besluit deze blogpost met een citaat van Chris van der Heijden uit Grijs Verleden (Amsterdam, Contact 2001) “Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg maar het verhaal maakte de oorlog nog erger”. Deze uitspraak is zo herkenbaar. Opa en moeder zijn nooit meer opgehouden met het bestrijden en ontkrachten van elkaars verhalen en hun positie als slachtoffer. Dat ging er hard aan toe, want ze waren allebei niet op hun mondje gevallen. Zoals ik het nu zie zocht mijn moeder vooral erkenning bij haar vader. Erkende hij überhaupt haar opofferingen en verliezen? Daarnaast moest ze ook nog eens in het reine komen met haar eigen beslissingen. In hoeverre voelde ze dat deze van haar zelf waren? Had ze zich verzet tegen haar autoritaire vader? Of bewonderde ze hem juist? Had ze gewoon ook geloofd in de NSB en de actieve rol die vrouwen daarin konden innemen?

 

9 augustus 2019

Mijn moeder en de NSB

Gisteren zat ik in het Nationaal Archief om het CABR-archief (Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging) te raadplegen. Ik had de dossiers van mijn moeder en mijn opa opgevraagd. Zij spelen in het verhaal van mijn vader ook een rol, al is het in een andere lijn, maar inzage moest een keer gebeuren. Vrolijk werd ik er niet van. Dat had ik ook niet verwacht. Toch voelde ik wel weer een soort historische sensatie bij het doornemen van de verschillende documenten, variërend van officiële voorgedrukte formulieren tot losse aantekeningen op beduimelde blocnotevelletjes en een klein voddig papiertje waarop staat gekrabbeld “geen raadsman”. Het is ook niet niks. Een veroordeling met daarop volgend hechtenis en internering.

Bron: Niod

Moeder, geboren in 1921 en oudste van een gezin van 9 kinderen, werd in 1940 in haar woonplaats Capelle aan de IJssel, lid van de NSB, evenals haar 1 jaar jongere zuster. Haar 2 jaar jongere zuster werd nooit lid van de partij. Opa was sinds 1935 actief lid. Dit zijn de feiten, vastgelegd op het document Afschrift Model proces-verbaal van aanhouding en in bewaringstelling dat ik gedeeltelijk heb overgetypt. Het is namelijk streng verboden kopieën te maken.  Moeder werd op 7 mei 1945 in bewaring gesteld en ingesloten in een daarvoor ingericht arrestantenverblijf te Capelle aan de IJssel op verdenking van lidmaatschap van de NSB.

De bewijsstukken waren: 1. Lidmaatschapkaart der N.S.B. 2. Groepskartotheekkaart der N.S.B. 3. Een formulier van de Ned. Volksdienst, ingevuld door A. Cinjee

Op 15 mei 1945 werd het proces-verbaal opgemaakt. Twee getuigen werden gehoord. Daarna werd moeder verhoord:

“Na het verzamelen van deze gegevens is door ons overgegaan tot het verhoor van verdachte zelf, die ons desgevraagd opgaf te zijn genaamd: ANGENIETA CINJEE (…) die het volgende verklaarde:

Ik ben een dochter van Groepsleider der N.S.B. te Capelle aan de IJssel, Mees Cinjee. Deze was een echte idealist en een oprechte N.S.B.er. In die geest ben ik ook opgevoed. Zodoende ben ik uit overtuiging in Augustus 1940 toegetreden als lid der Beweging en ben ik dit gebleven tot september 1944, toen ik zag dat voor Duitsland de oorlog verloren was en onze idealen tegen de grond gingen. Ik betaalde 1,50 per maand contributie. Propaganda maakte ik niet. Wel collecteerde ik huis aan huis met de Winterhulpbus. Het formulier wat u mij toont van de Ned. Volksdienst heb ik te Blaricum ingevuld. Ik ben in genoemde plaats in februari 1944 in opleiding geweest met het collecteren en huishoudelijke bezigheden. Aangezien ik daar slechts drie dagen vertoefd heb is het mij niet mogelijk namen van Leiders (sters) of andere personen te noemen.  Mijn verloofde P. Boudestein was ook een overtuigd lid der beweging. Hij was ook in de S.S. en bekleedde daar de rang van Rott Führer. Mijn broers Izak, Tinus en Pieter waren allen in den N.S.K.K. Ik ben geen lid van nevenorganisaties geweest en ik heb weinig contact met andere leden gehad. Ons Radiotoestel thuis hebben wij gehouden tot het laatste toe. Ook ontvingen wij extra rantsoenen voor mijn broers die in de N.S.K.K. waren. Mijn vermogen F 300,– staat op de Rijkspostspaarbank. Joodse goederen heb ik niet in mijn bezit of verhandeld. Ik was Pro-Duits, maar ik heb mij met Duitse militairen nooit ingelaten, daar zal ook niemand mijn beschuldigen. Na voorlezing en volharding in concept getekend: w.g. A. Cinjee  M.D.”

Op 7 januari 1946 worden twee getuigen gehoord ten behoeve van een aanvullend Proces-Verbaal. 

Dit was de reden: “Naar aanleiding ons ten oore was gekomen dat Angenieta Cinjee tijdens de bezetting contributie-inster der Nationaal Socialistische Beweging moet zijn geweest, hebben wij Jan Dirkse van Zetten en Jan Kaptein, beide rechercheurs der Politieke Recherchedienst Gouda kern Capelle a.d. IJssel tevens onbezoldigd Rijksveldwachters op vrijdag 22 maart 1946 gehoord een persoon die ons desgevraagd opgaf te zijn genaamd ANGENIETA CINJEE (…) ““In de jaren 1942 en 1943 heb ik omreden mijn vader die het als Groepsleider der N.S.B. altijd zeer druk had, bij de leden der genoemde partij in het rayon ’s-Gravenweg contributie geïnd (…). De geïnde contributie droeg ik af aan mijn vader. Ook wanneer een der insters uit een ander rayon ziek of door bijzondere omstandigheden verhinderd was, bood ik de behulpzame hand”

Mijn moeder was tijdens deze verklaringen van de getuigen al geïnterneerd in de Benthien Kazerne in Dordrecht. Uit de informatie op een langwerpige strook doorschijnend vloeipapier denk ik op te kunnen maken dat met de aantekening  “ Beheer tot 16/5/46” ontslagen is van strafvervolging en vrijgelaten.

Gisteren bestudeerde ik de documenten als historicus en bij vlagen als dochter. Regelmatig schiet me de opmerking van een beroemd historicus te binnen “Facts are sacred. Comment is free”.  Ik ben bezig me te verhouden tot mijn geschiedenis. Ik heb op dit moment geen commentaar.  Het is allemaal nog aan het bezinken. Op 13 augustus ga ik terug naar het Nationaal Archief om het dossier van opa opnieuw te bekijken en op me in te laten werken.

 

20 juli 2019

“I am on strike. This is a neverending story”

Op een zonnige zaterdagavond, om precies te zijn op 29 juni, zit ik in Eye in Cinema 2. In de volle zaal gonst het van verwachting. Het is de afstudeerweek van de Filmacademie (www.masteroffilm.nl) en twee masterstudenten zullen hun filmproject persoonlijk inleiden en laten zien. Ik zit hier, omdat nu ik weer intensief bezig ben met mijn eigen oorlogsonderzoek en zoektocht, alles wat daarmee te maken heeft  mijn aandacht grijpt. Het thema van de research-opdracht is “shifting perspective”. Regelmatig denk ik ook aan mijn manier om mijn herinnering te onderzoeken en ik grijp elke kans aan om me te laten inspireren. Wat me ook aanspreekt is dat de films gemaakt zijn door jonge mensen. Mijn dochter van 23 moet niet zoveel hebben van de Tweede Wereldoorlog. Dat kan door mijn obsessie komen, maar ook doordat  de Tweede Wereldoorlog haar generatie minder zegt. Ze begrijpt het minder, omdat ze de achtergelaten sporen niet voelt. Anders wordt het voor haar als ze de verhalen van haar vriendin Ida (om privacy reden gebruik ik niet haar eigen naam) hoort. Ze is de dochter van een Servische en een Bosnische vluchteling en ze zijn in 1992 gevlucht, toen haar moeder zwanger was van haar. Ida, in 1992 in Vught geboren, worstelt met haar versplinterde identiteit.

In de eerste film Eye see too, in you. Friendship beyond language van Stefan Pavlovic gaat het indirect ook over deze Balkanoorlog, waarvan de gevolgen van de gruwelijke strijd, tot op de dag van vandaag doorspelen.  De kwetsbaarheid van deze filmstudent, wiens familiewortels ook in dit gebied liggen, ontroert me diep. Hij heeft als kind gestotterd. Communicatie met anderen was niet vanzelfsprekend en hij zoekt in poëzie, tekst en beelden intimiteit en contact. Hij wil niet dat de camera tussen hem en de ander in staat. Kan de camera intiem zijn? Dat kan alleen maar als je het vertrouwen hebt van degene die je filmt. Dit vertrouwen heeft hij bereikt bij de in de oorlog aan zijn oog en oor gewond geraakte Zdravko.  Deze veteraan kon niet meer aarden in de stad en hij heeft de eenzaamheid gezocht. Samen varen ze, Stefan filmend,  in Zdravko’s vissersboot langs het kunstmatige meer (tussen Bosnië en Macedonie).

bron: Master of film. Artistic research in and through cinema (2019), p. 27

Ze zitten ze in Zravko’s huisje aan het meer; eten, drinken en huilen. De camera wordt op dat moment bediend door Stefan’s moeder. Deze filmscène kun je eigenlijk niet beschrijven. Je moet hem zien, om de intensiteit te  voelen. 

Het filmproject Future nostalgias van Albert Kuhn,  in Barcelona reeds werkzaam als filmmaker, maar met Duitse familiewortels, zoomt in op vraagstukken waar ik ook veel mee bezig ben. Bestaat lineaire tijd en kun je daaraan ontsnappen? Hoe voorkom je dat je je laat leiden door een deterministisch wereldbeeld?  Kun je het verleden kennen? Kuhn laat zich allereerst sturen door de uitspraak “het persoonlijke is politiek”. Deze leus was voor mij ook de belangrijkste leidraad in de Tweede Feministische Golf waarop ik mee bewoog en nog steeds beweeg, dus daar is herkenning.

Zijn film in ontwikkeling heeft als titel Dreams For A Better Past. Door de 21 uur Home Movies van zijn vader, met beelden van hem, zijn broer, moeder en grootouders, in één keer te bekijken, wil hij tot nieuwe inzichten komen over geschiedenis en in het bijzonder zijn familiegeschiedenis. Komen er nieuwe herinneringen? Is hij zijn vaders blik aan het herhalen? Kan hij ontsnappen aan het gevoel van determinisme? Het is al wel duidelijk voor hem dat hij in de voetsporen loopt van zijn vaders politieke blik en ook weer als werkwijze Home Movies toepast. Een stap in zijn werkproces is, net als zijn vader deed met zijn vader, het filmen van zijn vader in een huiselijke sfeer. Ter voorbereiding bladert hij door oude familiealbums en hij vindt een foto uit maart 1944 van zijn vader als baby in de armen van zijn ouders. Alberts  grootvader draagt een SS-uniform en Albert Kuhn beschrijft in zijn tekst in de brochure die de afstudeerweek begeleidt dat “it feels like an original sin”.  Ook daar heb ik een moment van herkenning, al vraag ik me ook gelijk af, of voor de Duitse jonge generatie dit ook nog een taboe is. Voor mij is dat in ieder geval ook wél zo. Ik heb één pasfoto van mijn vader in SS-uniform, maar ik deel hem eigenlijk liever niet met de hele wereld.  Kuhns vragen naar de herinneringen van zijn vader, leveren tot zijn teleurstelling niet veel op. Hij vraagt hem om voor de camera voor te lezen uit de brieven die zijn grootmoeder schreef toen zijn grootvader na de Tweede Wereldoorlog in de gevangenis zat. Deze documenten zijn gebundeld in een aantal boekjes.

Bron: Master of film. Artistic research in and through cinema (2019), p. 19

Zijn vader speelt even mee, maar krijgt er genoeg van, stopt en zegt: “I am on strike, this is a neverending story”.
Bijzonder is de Q(estion) and A(nswer) na de film. Albert Kuhn’s vader is meegekomen en wil graag vragen beantwoorden. Dat is best wel gecompliceerd, omdat deze avond alleen Engels wordt gesproken. Ik leef me hem mee. Engels goed verstaan is één ding, maar dan voor het vaderland weg ook in Engelse volzinnen antwoorden is twee. Er komt een vraag uit de zaal over zijn studiejaren aan de Universiteit in Berlijn. Spraken hij en zijn medestudenten als kinderen van ouders met vrijwel allemaal een verleden in Hitlers sporen, over de misdaden van het Hitler regime en de schuldvraag. En schaamden ze zich? Daarover is hij duidelijk. Ja, ze schaamden zich en van hun ouders kregen ze altijd dezelfde stereotype ontwijkende antwoorden als ze naar de oorlog vroegen. Hun politiek activisme ziet hij als een opstand tegen hún vaders. Hij benadrukte ook dat ze er niet over hoefden te spreken. Ze waren met duizenden met hetzelfde verhaal. En hij laat doorschemeren dat dit niet zo’n uniek verhaal is.  Alsof hij wil zeggen dat zijn verhaal voor de geschiedenis niet belangrijk is. Of hoor ik dat erin? Want dat is altijd mijn verborgen antenne. Waarom is mijn verhaal interessant? En waarom willen anderen het horen? Ik blijf bezig met de bestrijding van mijn innerlijke censor. Het gaat immers altijd over verhalen vertellen vanuit verschillende perspectieven en dat bedoel ik niet op een postmodernistische manier, maar wel met de erkenning dat verhalen subjectief zijn en dat er ruimte moet zijn voor meerdere verhalen, want wat zijn wij zonder verhalen? Zo zal het verhaal van de jonge student die op deze avond naast me zit ook gekleurd zijn door zijn eigen geschiedenis. Hij vraagt om de microfoon en maakt, op relativerende toon de opmerking dat zijn Braziliaanse vader ook regelmatig fascistische taal uitslaat en dat hij daaraan gewend is. Wat hem op deze avond veel meer bezighoudt is op welke technische manier de studenten hun verhalen vertelden. Hoe schreven ze hun script? Zag  Albert Kuhn zijn vader als personage toen hij aan het filmen was? Dacht hij in een bepaald narratief? Ik overwin mijn ongemak om in het openbaar te spreken en vraag Albert Kuhn of hij zonder de Home Movies van zijn vader deze film had kunnen maken? Zijn antwoord: door zijn vader is hij filmmaker geworden. Mijn conclusie: de vaderzoektocht is universeel en onontkoombaar.

 

30 juni 2019

Ik kreeg mijn vader niet dood

In mijn vakantieweekje in Terschelling lees ik de herinneringen van Lilian de Bruijn over haar vader. Het is niet direct een zonnig strandboek, maar wel actueel. Oorlog en de gevolgen daarvan speelt nog steeds zo’n factor in het leven van talloze mensen. Dat kan niet genegeerd worden. De schrijfster van het boek reconstrueert het levensverhaal van haar vader. Hij kwam vanaf 1943 in een aantal concentratiekampen terecht en hield daar een oorlogsyndroom aan over. Het had grote consequenties voor hemzelf, zijn kinderen en familie. Op 6 juni ben ik bij de presentatie in boekhandel Scheltema en ontmoet ik, na lange tijd mijn vroegere studiegenoot Lilian weer en dat voelt heel vertrouwd. Op de voorpagina van mijn exemplaar schrijft ze:

We zeggen tegen elkaar dat we verder moeten praten en dat wil ik heel graag. Tijdens het lezen van haar boek herken ik familiesituaties; ruzies  die hoogstwaarschijnlijk te maken hadden met wel of niet uitgesproken oorlogsgeschiedenissen. Ik herinner mezelf weer als zesjarig kind. Ik zie mezelf zitten, mijn arm om mijn jongere nichtje geslagen,  mijn pop stevig, als anker vasthoudend. Vader is weg. Hij moet de koeien melken. We zitten ergens uit het zicht muisstil op de grond, terwijl opa, moeder en haar broer tegen elkaar tieren en ruzie maken.
De directheid, openheid en kwetsbaarheid waarmee Lilian haar vaders leven en het hare beschrijft, grijpt me aan. Vooral de kwetsbaarheid. Ik heb van mijn vader geleerd om op de zijlijn te staan, niet op te vallen en geen verkeerde, foute dingen te zeggen. Dit harnas zit voor een deel nog om me heen.

 

10 juni 2019

Herinneren, vergeten, vergetelheid

Hiroshima, mon amour

Het filmprogramma  Shell Shock. De kracht van verhalen in Eye filmmuseum (22 maart t/m 22 mei 2019) gaat over de persoonlijke ervaringen van oorlog in het algemeen en de gevolgen daarvan in de levens van mensen. Deze subjectieve, niet op feiten gerichte benadering,  brengt me dichter bij mijn onderzoek. Alsof ik de legitimiteit nodig heb om mijn gekleurde bril af te zetten.

affiche archief Eye Filmmuseum
affiche archief Eye Filmmuseum

Een Franse actrice is in Hiroshima om in een film over vrede te spelen, wat kun je anders doen na de verschrikkingen van de oorlog. Ze ontmoet een Japanse architect en samen brengen ze een dag en een nacht door. Ze hunkeren naar elkaars aanraking en zoeken vergetelheid. Ze herinneren hun leven en delen hun herinneringen. Toen de atoombom viel zat hij in het leger, terwijl zijn familie in Hiroshima was. Na de bom was een groot deel van de stad weggevaagd en waren er duizenden doden en talloze gewonden met verschrikkelijke verbrandingen. Zij was de geliefde van een Duitse soldaat. Toen de bevrijding kwam werd hij  vlakbij het schuurtje waar ze elkaar op onbewaakte momenten ontmoeten, doodgeschoten. Ze werd door haar gemeenschap gezien als moffenhoer en kaalgeschoren door de stad geparadeerd. Het was voor haar familie teveel en ze werd weggestuurd.  In de nacht fietste ze weg met haar bezittingen op haar bagagedrager. Na een dag en nacht verdwijnt ze ook uit Hiroshima.

Hiroshima mon amour is een schitterende film, qua verhaal en compositie. Alles klopt. Wat me heel erg bij blijft is de psychische ontreddering, schaamte en schande van de vrouwelijke hoofdpersoon. Ik moet aan mijn moeder denken. Wat waren haar gevoelens en ervaringen toen ze in 1945, als oudste dochter van de onderkoning, zoals haar vader werd genoemd in Capelle aan de IJssel,  in het interneringskamp zat? Ik voelde als jong kind al haar intense en beangstigende  boosheid als de verhalen over de oorlog over de tafel vlogen.

Door Hiroshima mon amour word  ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. Het verhaal van mijn moeder is onlosmakelijk verbonden met dat van mijn vader. Ze waren oorlogslotgenoten. Ze deelden hun verhaal van uitsluiting en afwijzing en ze zochten naar een nieuw verhaal. Hun oude verhaal, dat wat zij meemaakten en min of meer verwerkten,  blijft wel onderdeel van mijn geschiedenis, dat gaat nooit meer weg.

 

5 mei 2019

Schuldig geboren

In de 1988 dagboekaantekening van mijn geliefde vind ik een verslag van een voorstelling en discussie-bijeenkomst  die op 27 oktober plaatsvindt in De Balie. 

In mijn eigen dagboekaantekeningen vind ik niets hierover. Dit zal te maken hebben gehad met het feit dat ik totaal in beslag genomen werd door de voorbereiding op mijn sollicitatiegesprek. Ik had gesolliciteerd op een functie als bibliothecaris bij de Bijlmerbajes en ik was tot mijn verrassing uitgenodigd.  Het was intrigerend. Iedereen kende dit nieuwe gebouw aan de rand van de stad waar in 1978 de lichten waren aangegaan. Met de trein crosste je er langs  en dacht je ‘we rijden langs de gevangenis’. Ik stond niet stil bij de mensen die er in zaten en die stonden aan de onderkant van de samenleving. Mijn vader had na de oorlog ook in de gevangenis gezeten. Ik trok die lijn niet door.

Ik las in die tijd het levensverhaal van een Nederlandse ex-ss’er, opgetekend door antropologe Inge P. Spruyt Onder de vleugels van de partij. Kind van de Führer. (Het Wereldvenster 1983).

Dit schreef ik op 4 november 1988 in mijn dagboek: “het boek is geschreven en dat is goed. Het boek heeft een functie, het geeft inzicht hoe het geweest is en het laat vooral zien hoe in een misdadig systeem mensen verworden. De emoties van de beschreven hoofdpersoon liegen er niet om. (…) Ook al is het een heel persoonlijk verhaal, het laat zien hoe het fascisme mensen inkapselde en ze tot handlangers maakten, zonder dat ze zelf nog gevoel hadden, leefden ze in de totale oorlog voort; als machines die ingezet werden. (…) Ik zou ook moeten proberen mijn eigen emoties te beschrijven, zoals mijn onbewuste afweer door aan andere dingen te gaan denken, of mijn hulpeloze uitroepen van ‘dit kan niet en dit is walgelijk’. Het aantal mensen dat in de Tweede Wereldoorlog is gevallen, schat men tussen 45 en 55 miljoen, dat is zo ongehoord groot, het gaat het bevattingsvermogen te boven. Het zinvolle van het boek is dat het laat zien wat een ideologie met mensen kan doen.

 

 

26 april 2019

Armando: de ‘goede’ SS’er

Vrijdag 19 april bezocht ik de Kunst Rai Art Amsterdam waar ik het indringende werk van beeldend kunstenaar Armando zag.  Mijn oog viel op de sculptuur Fahne die ik kort tevoren in grote vorm in Museum Voorlinden had gezien,  in de tentoonstelling  gewijd aan het werk van Armando (1929-2018) vanaf de jaren vijftig. Naast beeldend kunstenaar was  Armando ook schrijver, dichter, journalist, acteur, regisseur, violist en bokser.

Uit de begeleidende brochure:
Veel werken verwijzen direct naar zijn ervaringen als kind gedurende de Tweede Wereldoorlog en de herinneringen hieraan. Later werden de motieven abstracter. Belangrijke thema’s in zijn werk zijn de tragiek van de mens, melancholie en de schoonheid van het kwaad. 
De motieven die Armando herhaaldelijk verbeeldde zijn op een meerduidige manier te interpreteren: de vlag (Fahne) als symbool voor vrijheid maar tegelijkertijd een machtsmiddel om grenzen te markeren. Zo staan Armando’s vlaggen soms fier overeind of dreigen ze als een bijl neer te vallen. Het wiel (Das Rad): een martelwerktuig uit de christelijke heiligenverhalen dat tevens metafoor is voor beweging en een cyclische voortgang van de tijd. De ladder (Die Leiter) die symbool staat voor opklimmen, waar waar een val nooit ver weg is. In deze motieven gaat het macabere samen met het hoopvolle.

Ik maakte voor het eerst kennis met Armando in 1988 toen ik een tentoonstelling van zijn beeldende werk zag in het Centraal Museum Utrecht. Zijn schilderijen en sculpturen straalden intensiteit uit en waren overweldigend. Ze overtuigden me.

Ik kende toen het boek nog niet dat hij in 1967 schreef over de ervaringen van Nederlandse SS’ers,  samen met dichter Hans Sleutelaar, met wie hij in de kunstenaars Nulbeweging zat. Hij was de eerste die aan hen een stem gaf (De SS’ers. Nederlandse vrijwilligers in de Tweede Wereldoorlog. De Bezige Bij, 1967). Acht ex-ss’ers praatten vrijuit, zonder dat commentaar gegeven werd over wat ze vertelden. Het was in die tijd, waarin alles wat met oorlog had te maken beoordeeld werd in de termen van goed en fout,  een daad, die bij velen grote verontwaardiging opriep. Ze zouden met dit boek bijdragen aan antisemitisch geweld. Er gingen echter ook stemmen op die het belangrijk vonden om de motieven te kennen van landgenoten, deze ‘onmensen’ die zich destijds aansloten bij de ‘bruine hordes’.  Zou het maken van dit boek vooral te maken hebben gehad met het feit dat zijn neef Dick zich aansloot bij de SS toen hij een jaar of tien was? Of was het op grotere schaal de fascinatie die hij had voor de oorlog en die was ontstaan in zijn woonplaats Amersfoort waar de Duitsers in 1941 in de bossen het beruchte kamp Amersfoort hadden gebouwd. Alles wat daar in het geheim plaatsvond en de reacties van zijn omgeving op de bezetter en de gevangenen maakten diepe indruk op hem in een tijd dat hij opgroeide tot volwassene.

Na terugkomst van de Kunstrai, sloeg ik de NRC van vrijdag 19 april  open en kwam tot mijn verrassing opnieuw Armando tegen in een artikel van Herman Vuijsje:  twijfel niet aan de intenties van Armando. Er was ophef ontstaan over de herdenking van zijn overlijden door kunstenaars Oleg Lysenko en Cherry Duyns in Kamp Amersfoort dat nu een nationaal monument is. Antifascistische organisaties en oud-verzetsstrijders hadden zich hiertegen verzet. Ze betichtten Armando van SS-sympathieën. Om technische reden is de herdenking afgezegd. Volgens Vuijsje moet niet getwijfeld worden aan de intenties van Armando. “Om te evoceren moet je de feiten laten zien. Alleen dan kun je die reconstrueren, analyseren, interpreteren en bekritiseren. Keer op keer worden de vertolkers van die feiten ten onrechte vereenzelvigd met daders en sympathisanten”.  

De bundel met drie werken van Armando Uit Berlijn/Machthebbers/Krijgsgewoel (De Bezige Bij, 1993) ligt nu op mijn nachtkastje. 

De SS’ers leende ik in 2011 uit de bibliotheek. Ik ga de lijvige samenvatting die ik toen maakte maar weer eens doorlezen.

Uit Berlijn dat in 1982 verscheen stond in 1985 in de boekenkast van mijn toenmalige nieuwe liefde en toekomstige partner. Het staat nu in onze gezamenlijke boekenkast.

Toen ik Loek in 1985 ontmoette was hij de net verschenen biografie over Mussert van Jan Meyers (Arbeiderspers, 1984) aan het lezen. Hij vertelde erover op een onbevooroordeelde en oprecht geïnteresseerde manier. Gelukkig begon hij niet met de standaard opmerking over fout zijn. Dat was voor mij heel hoopvol en het wekte vertrouwen, want ook nog in de jaren tachtig maakte ik maar al te vaak mee dat mensen niet voorbij het goed-fout oordeel kwamen en daar kon ik niets mee. Dan sloeg ik dicht.

 

13 april 2019

Tussen goed en fout

In De Groene Amsterdammer (28 maart 2019) levert Annemieke Hendriks kritisch commentaar op het boek De geheugenlozen van de Frans-Duitse journaliste Géraldine Schwarz.

Géraldine Schwarz  heeft dit boek geschreven, omdat ze bezorgd is over het populisme en het toenemend wantrouwen in de democratie. Ze wisselt in haar boek het verhaal over de Europese ontwikkelingen af met persoonlijke geschiedenissen van haar familieleden die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog meelopers waren. Hendriks sprak in januari uitvoering met Schwarz over de zienswijze van historici ten aanzien van de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog in Nederland.

Tot kritische verbazing van Hendriks is in het hoofdstuk over Nederland niet de naam van hoogleraar Hans Blom te vinden. Blom gaf de geschiedschrijving een andere richting door de goed-fout focus te verleggen naar hoe inwoners wegkeken en organisaties zich plooiden naar de eisen van de bezetter. Hans Blom was van 1996 tot 2007 directeur van het Niod. Schwarz interviewde een aantal historici uit de kring van het NIOD en de naam van Blom was niet gevallen en ook niet de naam van zijn promovendus Chris van der Heijden, omdat hij in zijn werk zijn foute ouders zou willen vrij pleiten. Volgens NIOD medewerker Evelien Gans was Chris van der Heijden bovendien een antisemiet. Hendriks vertelde aan Schwarz  dat er in Nederland ook een zogeheten Historikerstreit heeft gewoed met als inzet het gedachtegoed van Hans Blom, waarin een meer genuanceerd perspectief werd gepresenteerd. Er waren weinig Nederlanders geweest die een poging hadden ondernomen om de Jodenvervolging te voorkomen. Degenen die met heldenmoed joden hadden geholpen, waren de uitzondering geweest.

Ik vind het artikel interessant, maar het werkt vooral ook als een trigger voor mijn eigen herinneringen. Na lezing vis ik uit mijn boekenkast, uit mijn lijvige verzameling oorlogsliteratuur, de bundel  Tussen goed en fout. Nieuwe gezichtspunten in de geschiedschrijving 1940-1945 (1986) waarin de tekst van de oratie van Hans Blom In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingtijd in Nederland(1983) is opgenomen.  In zijn inaugurele rede (Universiteit van Amsterdam) zette hij vraagtekens bij de moralistische geschiedschrijving van Loe de Jong (tot 1979 directeur van het RIOD. Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie).

Zelf was ik als kandidaatsstudent  Nieuwe en Nieuwste geschiedenis in 1983  nog helemaal verstrikt in dit moralistische denken, überhaupt in het me rekenschap geven van de collaboratiegeschiedenis van mijn ouders waarmee ik opgezadeld was. Met dit taboe kon ik niet uit de voeten, als ik het al ervoer als een taboe of wist dat ik dat zo kon noemen.

Nu ik eraan denk, duikt deze gebeurtenis opeens in mijn herinnering op. Ik volgde in 1984 een werkgroep over dienstmeisjes bij Jannie Poelstra. Zij was aan de UVA  één van de eerste vrouwelijke docenten die het vak vrouwengeschiedenis op de kaart zette. In haar aanpak, volgend uit de focus van de Tweede Feministische Golf, dat het persoonlijke politiek is, vertelde ze tijdens één van de werkgroepen, tenminste als mijn herinnering klopt, dat haar moeder tijdens de oorlog verkering kreeg met een Duitse soldaat.  Na het college voelde ik de behoefte om te vertellen over mijn moeder die in 1939 in Rotterdam dienstmeisje werd bij een joodse tandartsfamilie. Opa was sinds 1935 overtuigd lid van de NSB. Iemand anders was ook naar Jannie’s bureau gelopen. Zij was de kleindochter van Tobie Goedewaagen, de nationaalsocialistische Secretaris Generaal op het door de Duitsers opgerichte Departement van Volksvoorlichting en Kunsten en de voorzitter van de Nederlandsche Kultuurkamer. Wat vertelde zij? Ik weet het gewoon niet meer. We zijn na de werkgroep niet meer met elkaar omgegaan. Ik denk dat we toen weinig gemeenschappelijks hadden om te delen. Zij, de kleindochter van een wetenschapper, ik, dochter van een vader, die van 1942 tot 1945 Schütz (soldaat, laagste in rang) was bij de SS. Alhoewel, het ging in de werkgroep juist toch over onze moeders?  Bij het ongemakkelijke gevoel dat altijd ergens in mijn lichaam bezit van me nam als er over de oorlog gesproken werd, kwam ik niet. En zij? Geen idee. Ik durfde  er in een openbare ruimte ook niet  echt over te praten. Toen ik in 1985 voor mijn scriptie, die ging over een schrijfster die collaboreerde, onderzoek moest doen in het NIOD, was ik de hele tijd bang dat ik ontmaskerd zou worden en de toegang geweigerd zou worden als dochter van één van die “verwerpelijke lieden”. Het ironische van mijn scriptieonderwerp was  dat ik de schrijfster Jo van Ammers-Küller had gekozen om de romantrilogie over vrouwenemancipatie die ze in de jaren twintig schreef, te onderzoeken. Ik wist helemaal niet dat ze had gecollaboreerd. Zo kwam die verdomde oorlog toch weer op mijn pad.

In 2015 was  ik bij de VU aanwezig bij de promotie van Ewart Bosma die zijn proefschrift verdedigde over de houding die bevindelijk gereformeerden innamen tegenover de Duitse bezetter.

https://historiek.net/een-ongemakkelijke-verhouding-gereformeerd-geloof-en-nationaalsocialisme/50777/

Ik had Ewart leren kennen, nadat hij had gereageerd op het artikel over mijn vader in de NRC (9 januari 2010). Tijdens de receptie sprak ik opnieuw Hans Blom, die in 1987 mijn masterbul had uitgereikt en vertelde ik hem over mijn vadersporen-onderzoek. Hij raadde me aan me vooral ook in mijn vaders geloofsachtergrond te verdiepen, om zo zijn oorlogswerkelijkheid te doorgronden.

In 2017, tijdens mijn bezoek aan Estland, was de reactie van de directeur Ivika Maidre van het Vaivara Sinimaëd Museum na het aanhoren van mijn verhaal over hoe mijn vader bij het Vrijwilligerslegioen belandde, totaal anders: “Ah love and women!”

 

22 maart 2019

Shell Shock: De kracht van verhalen

shell shock brochure

Op 22 maart 2019 zag ik in Eye Filmmuseum in het openingsprogramma Shell Shock: De kracht van verhalen de documentaire “Atomic soldiers” van Morgan Knibbe. Ik kreeg kippenvel van de intense interviews met oud veteranen die soms voor het eerst van hun leven uitgebreid verhaal deden over wat ze hadden meegemaakt toen ze als dienstplichtig militair mee moesten doen met atoomproeven. Je beseft dat ze door hun ervaringen, de explosies, geluiden die door merg en been gingen, de verblindende lichtflitsen, de chaos, de angst, ze daarna nooit meer hetzelfde zouden zijn. Ze hadden teveel psychische en fysieke schade opgelopen. Door de Amerikaanse overheid, die wist van de enorme schade van de atoombommen van Hiroshima en Nagasaki, werden ze gebruikt als proefkonijn en hun verhaal is in de doofpot gestopt. Zie ook link: How the U.S. Government Used Veterans as Atomic Guinea Pigs | Op-Docs https://www.youtube.com/results?search_query=atomic+soldiers+documentary

Ik volg Het Shell Shockprogramma, omdat ik me aangesproken voel tot de subjectieve manier waarop programmamakers dit onderwerp benaderen. Het gaat niet om waarheidsvinding of over oordelen: “Shell Shock opent de filmzalen voor de persoonlijke verbeelding van de angst, woede en verwarring na de shock”.

https://www.eyefilm.nl/themas/shell-shock-de-kracht-van-verhalen

Omdat ik, na de dood van mijn ouders (vader overleed in 1994 en moeder in 2007) open wilde zijn over de oorlogservaringen van mijn vader als SS-soldaat, vertelde ik mijn herinneringen aan de NRC in 2010. Het artikel besluit met mijn intentie: “Ze wil alles vertellen, correct en compleet. Ze durft het aan”. Ik ontving via de redactie van NRC een aantal reacties, waaronder deze:

“Beste redactie, ik wil hierbij even reageren op het artikel “over de oorlog werd gezwegen” in uw weekblad van 9-15 januari j.l.
Hendrik Smit werd in 1942 als SS-er uitgezonden naar het Oostfront, maar hij weigerde om mensen te doden. Een loffelijk streven, en ook heel uniek: bij mijn weten is hij de enige SS-er waarvan dit gedoogd werd. Nóg unieker is zijn prestatie om zich in maart 1945 in Berlijn over te geven aan de Amerikanen. Voorwaar: een dubbel unicum!”

Bijna 10 jaar later en het nodige spitwerk, realiseer ik me steeds meer dat ik de feiten nooit zal kunnen achterhalen, ook al probeer ik met alle macht gebeurtenissen te reconstrueren. Eén ding is  in mijn gevoel wel hetzelfde gebleven. Berichten over oud-SS’ers roepen irritatie op.

Op 20 februari 2019 opent het NOS journaal met dit item: “ Tientallen oud-SS’ers in Nederland krijgen uitkering uit Duitsland” https://www.youtube.com/watch?v=T3VkkxS1S78

Aan het woord komt historicus Cees Kleijn. Hij heeft voor mijn onderzoek veel betekend. Hij heeft een gigantische archief aangelegd en hij heeft me onder andere informatie kunnen geven over de verloofde van mijn moeder die in 1943 aan het Oostfront sneuvelde.  Uit zijn onderzoek blijkt dat veel oud-SS’ers hun oorlogsverleden geheim hebben gehouden, ook voor hun familie. Hij verbaast zich hierover:  “Er zijn 10.000 kinderen en kleinkinderen van deze groep mensen  die leven in Nederland en die geen enkel idee hebben (…) En dat is iets heel geks (…) dit  collectief zwijgen en dat dit stukje verleden wordt weggemoffeld”. Ik begrijp wel waar dit collectieve zwijgen vandaan komt .

Arjen Fortuin geeft in zijn Rubriek ZAP (NRC 21-2-2019) dat irritatiegevoel weer:  “Nieuws was het niet, wel pijnlijk – voor naziberichten wordt altijd wel een plaatsje vrijgemaakt.” Waarom zou je als verliezer, en in mijn geval als ik kind van een verliezer, ook je mond open doen? Ik vecht nog steeds met dat gevoel. Berichten over verliezers zijn niet leuk. Toch geloof ik dat openheid meer oplevert voor mezelf, in termen van acceptatie van mijn geschiedenis en voor de geschiedschrijving, omdat een genuanceerd beeld meer oplevert.

 

september 2018

Arnon Grunberg. Het leven als strijd

Deze bespreking  van het essay uit de Groene Amsterdammer, nr. 35, 30 aug. 2018, is in bewerking.

het leven als strijd


10 februari 2017

Kieft. Het verboden boek

Het verboden boek
Ewout Kieft, Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme(Atlas Contact 2017)

Net als zoveel andere vragen heb ik nooit aan mijn vader gevraagd of hij Mein Kampf had gelezen. Of wat hij van Hitlers uitspraken en politieke visie vond. Hij heeft ooit aan zijn halfbroer verteld dat hij één keer Hitler van dichtbij heeft gezien. Hij was diep onder de indruk van zijn voorkomen en zijn charisma. Hij schaarde zich bij de miljoenen Europese burgers die zich aangetrokken voelden tot het nationaalsocialisme. Zij werden meegenomen door Hitlers opzwepende teksten en door zijn uitspraken die hij als zeer overtuigend redenaar opvoerde als wapen. Het staat vast dat vader kennis heeft genomen van teksten uit Mein Kampf. Er werd veelvuldig uit geciteerd en het werd gebruikt bij nationaal-socialistische vormingsbijeenkomsten. Hij kreeg in 1942 zijn opleiding in Ausbildungslager Sennheim in de Elsas.

Ausbildungslager Sennheim in de Elzas
Nederlandse leden van de Waffen SS verdiepen zich in het woord van de Führer tijdens hun opleiding in Ausbildungslager Sennheim in de Elzas.
Bron: Gerard Groeneveld. Het boek is nooit thuis. In: De Parelduiker. Jaargang 4 (1999)

Ik denk dat ik, buiten de historische context van die tijd, me de aantrekkingskracht moeilijk kan voorstellen. Ik zoek toch een weg om dit gevoel, deze ervaring, te begrijpen.

In 2016 is in de media de vraag weer actueel of de boodschap van Mein Kampf politiek gevaarlijk is. Dit naar aanleiding van het vrijkomen, na 70 jaar, van de auteursrechten van Mein Kampf waarin de antisemitisch beginselverklaring centraal staat.

Het Berlijnse collectief Rimini Protokoll maakt documentair theater dat gebaseerd is op research. Ze werken niet met acteurs, maar met goed ingevoerde amateurs. Mensen die zelf verhalen vertellen over wat ze hebben meegemaakt.  Van 7 t/m 19 februari 2017 traden ze op in de Stadsschouwburg in het kader van het festival Brandstichter. Op woensdag 8 februari zag ik met mijn vriendin de voorstelling Adolf Hitler, Mein Kampf, Band 1&2. In de voorstelling gaat het erover wat de gevolgen zouden zijn van het vrijkomen van de auteursrechten van Mein Kampf. Zes mensen worden ten tonele gevoerd die een persoonlijke of professionele relatie met het boek hebben. De vraag wordt niet beantwoord of het boek in deze tijd politieke invloed kan hebben en hoe gevaarlijk dat kan zijn.

Redacteur Herien Wensink van NRC vindt dit een gemiste kans: “de Holocaust wordt opzichtig gemeden, woordelijke verwantschap met hedendaagse racistische propaganda of de verontrustende populariteit van het boek in de Arabische wereld worden enkel feitelijk, droog, geconstateerd”. (bron: NRC 6 februari 2017. C4)

Voorafgaand aan de voorstelling, vond in de Stadsschouwburg een openbaar gesprek plaats over de achtergronden van het toneelstuk met Riminilid Helgard Haug, moderator Joost Ramaer van de Groene en schrijver en historicus Ewoud Kieft, werkzaam bij het NIOD. Hij had net de laatste hand gelegd aan Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme.(Atlas Contact 2017). Hij gaf commentaar op de geannoteerde wetenschappelijke uitgave van Mein Kampf die het Institut für Zeitgeschichte in München had uitgebracht. Daarin hebben ze op rationele wijze beargumenteerd wat niet klopt aan Mein Kampf. Volgens Kieft hebben ze een kans gemist. Wat ze uitdrukkelijk niet doen is begrijpelijk maken waarom het boek en het nationaalsocialisme desondanks voor miljoenen Duitsers en Europeanen aantrekkelijk konden zijn. Uitgerekend daarvan zouden we wat kunnen leren, zeker in onze tijd van steeds meer opkomende, feitenvrij populisme. In het gesprek werd ook ingegaan op het feit dat Mein Kampf in India 33 herdrukken had beleefd en dat het gebruikt werd als managementsliteratuur. De waarschuwing van Kieft deed bij mij een bel rinkelen. Op maandag 6 februari keek ik naar regisseur Paul Verhoeven in DWDD die Donald Trump met zijn “America First” als een soort tweede Hitler betitelde, omdat hij zijn tegenstanders weg wilde werken en de wetgevende macht wilde uitschakelen.

Kieft drukt je in zijn boeiende Het verboden boek met de neus op de feiten. Hij laat zien hoe Hitler in Mein Kampf  openlijk en schaamteloos gebruik maakte van propaganda-strategiëen. Succes was de enige maatstaf om te beoordelen of propaganda juist was. Frapperend vind ik de passage die Kieft kiest uit Mein Kampf , waarin Hitler het nationaalsocialisme vergelijkt met een religieuze beweging.

“’het geloof is moeilijker te vernietigen dan het weten, liefde is standvastiger dan eerbied, haat is sterker dan wrevel, en het was altijd de bezieling van een fanatisme, soms de zweep van de hysterie, welke de geweldige omwentelingen dezer aarde deed ontstaan, en zoo goed als nooit een, door de geheele massa, gedeeld, wetenschappelijk inzicht”’ (Kieft, p. 130). Kieft laat ook duidelijk aan de hand van citaten uit Mein Kampf zien dat Hitlers boodschap één van hoop was en tegelijkertijd één van racistische haat.

Als dochter van een vader met deze geschiedenis kan ik me alleen maar scharen achter de oproep van Kieft om Mein Kampf te zien als een boek waarvan we kunnen leren en wat we beseffen als we zeggen “dat nooit weer”. Ik stel mezelf de opdracht bezig te zijn met het in stand houden van vrijheid, democratie en de rechtstaat.


januari 2011

De mist van de geschiedenis

In mijn onderzoek laat ik me onder andere inspireren door drie teksten van historicus Willem Frijhoff.

  • Herinneringen als kunst van vergeten. Hoe wij al dan niet bewust onze geschiedenis selecteren
  • Plaatsen van herinnering: van Frankrijk via Nederland naar Europa. Succes en nut van een concept.
  • Religie en de mist van de geschiedenis. Hoe behoefte aan herinnering onze cultuur transformeert.

De teksten zijn opgenomen in deze in 2011 verschenen bundel:

Willem Frijhoff

Als prominent vertegenwoordiger van de cultuurgeschiedenis in Nederland, beschouw ik zijn visie als richtinggevend in  mijn onderzoek .  Ik vind het inspirerend dat hij er op wijst dat herinneringscultuur en geschiedenis niet alleen gaan over brede ontwikkelingen, belangrijke personen en grote daden, maar ook over gewone mensen en hun dagelijks leven.  Het geeft mij de moed en de kracht om, als drager van onze herinnering, mijn vaders stem en mijn stem te laten horen.

Frijhoff wijst me ook de weg naar  het begrip “sublieme historische ervaring”, in de theoretische geschiedschrijving geïntroduceerd door historicus Frank Ankersmit. Hij gaat in tegen de heersende opvatting in de geschiedwetenschap dat geschiedschrijving afstandelijk en objectief hoort te zijn. In zijn visie voegt de historische ervaring iets toe en overwint het de tijd.

In zijn tekst Religie en de mist van de geschiedenis geeft hij twee definities van religie en biedt hij handvatten om religieuze identiteit en religieuze cultuur en haar (symbolische) gedragsvormen procesgericht te analyseren en te beschrijven. Voor mijn onderzoek is dit belangrijk. Mijn vaders handelen werd voor een groot deel bepaald door de religieuze cultuur van de bevindelijke gereformeerden, waarin hij opgroeide. Daarnaast is zijn relatie en interactie met de maatschappelijke historische context van groot belang; de ontwikkelingen na de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van de fascistische beweging en de economische crisis in de dertiger jaren.

Voor mijn onderzoek maak ik ook gebruik van de oral history methode. Schriftelijke en persoonlijke herinneringen zijn subjectieve bronnen; herinneren is een proces. Herinneringen kunnen veranderen, ontwikkelen en zich aanpassen aan ruimte en tijd. Inherent aan herinneren is vergeten. Zo kan een eenduidige geschiedschrijving ontstaan met zwart-witte overwinnaars- en slachtofferbeelden. De geschiedenis die ik schrijf is mijn verhaal, visie, analyse en beelden. Ik streef er wel naar mijn methoden met kritische blik en zorgvuldigheid te hanteren. Met andere woorden, het licht te laten schijnen op meerdere kanten van het verhaal en op het aanbrengen van nuanceringen. Om hiertoe te komen wil ik bij mezelf nagaan hoe mijn eigen geheugen heeft gewerkt in het omgaan met historische feiten.

Om te voorkomen dat ik teveel verzand in eindeloos onderzoek naar de historische context, gebruik ik vooralsnog de papersessie methode die ik bij een managementcursus leerde. In losse termen schets ik vaders familie-achtergrond en het tijdperk waarin hij opgroeide.

  • 1900-1930 papersessie

Ik heb er twee citaten bij gezet.

“Give me the child until he is seven and I’ll give you the man”. Op deze uitspraak baseerde de Britse filmmaker Michael Apted zijn Up series. Vanaf 1964 volgt hij de levens van veertien Britse kinderen uit verschillende sociale klassen. Hij start op hun zevende jaar en doet elke zeven jaar verslag van hun ontwikkeling. Het doel was om te laten zien dat er in Groot-Brittannië weinig mogelijkheden waren om in een andere sociale klasse terecht te komen. Ik zag de serie, door de VPRO op televisie uitgezonden, in 1986. De geportretteerden waren toen 28 jaar. Ik vond het een fascinerende en steengoede serie. Ik was van dezelfde leeftijd en een aantal portretten raakten me emotioneel. Ik herkende mezelf in de steile weg die ik bewandelde van arbeidersking richting middenklasse-professional. Als kind, die de invoering van de Mammoetwet in 1968, als tienjarige meemaakte, had ik de mogelijkheid om te gaan studeren. In het tijdperk waarin vader opgroeide was het spreekwoord ‘wie voor een dubbeltje is geboren, wordt nooit een kwartje’ eerder regel dan uitzondering. Maar hij was, geboren in 1912, ook een kind van de nieuwe Twintigste eeuw met zijn snelheid, techniek, auto’s, reizen en optimisme. En hij droomde over de American Dream.

In 1983 kreeg ik op weg naar mijn kandidaats geschiedenis, een hoorcollege van Maarten Brands. In mijn herinnering was het een inleiding tot de geschiedenistheorie en filosofie. Ik vond het moeilijke stof en begreep er heel veel niet van. De uitspraak van Karl Marx heb ik altijd onthouden en vrij vertaald: “mensen maken de geschiedenis, maar ze kunnen niet kiezen voor de omstandigheden”.