Onderzoeksmethoden

13 april 2019

Tussen goed en fout

In De Groene Amsterdammer (28 maart 2019) levert Annemieke Hendriks kritisch commentaar op het boek De geheugenlozen van de Frans-Duitse journaliste Géraldine Schwarz.

Géraldine Schwarz  heeft dit boek geschreven, omdat ze bezorgd is over het populisme en het toenemend wantrouwen in de democratie. Ze wisselt in haar boek het verhaal over de Europese ontwikkelingen af met persoonlijke geschiedenissen van haar familieleden die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog meelopers waren. Hendriks sprak in januari uitvoering met Schwarz over de zienswijze van historici ten aanzien van de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog in Nederland.

Tot kritische verbazing van Hendriks is in het hoofdstuk over Nederland niet de naam van hoogleraar Hans Blom te vinden. Blom gaf de geschiedschrijving een andere richting door de goed-fout focus te verleggen naar hoe inwoners wegkeken en organisaties zich plooiden naar de eisen van de bezetter. Hans Blom was van 1996 tot 2007 directeur van het Niod. Schwarz interviewde een aantal historici uit de kring van het NIOD en de naam van Blom was niet gevallen en ook niet de naam van zijn promovendus Chris van der Heijden, omdat hij in zijn werk zijn foute ouders zou willen vrij pleiten. Volgens NIOD medewerker Evelien Gans was Chris van der Heijden bovendien een antisemiet. Hendriks vertelde aan Schwarz  dat er in Nederland ook een zogeheten Historikerstreit heeft gewoed met als inzet het gedachtegoed van Hans Blom, waarin een meer genuanceerd perspectief werd gepresenteerd. Er waren weinig Nederlanders geweest die een poging hadden ondernomen om de Jodenvervolging te voorkomen. Degenen die met heldenmoed joden hadden geholpen, waren de uitzondering geweest.

Ik vind het artikel interessant, maar het werkt vooral ook als een trigger voor mijn eigen herinneringen. Na lezing vis ik uit mijn boekenkast, uit mijn lijvige verzameling oorlogsliteratuur, de bundel  Tussen goed en fout. Nieuwe gezichtspunten in de geschiedschrijving 1940-1945 (1986) waarin de tekst van de oratie van Hans Blom In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingtijd in Nederland(1983) is opgenomen.  In zijn inaugurele rede (Universiteit van Amsterdam) zette hij vraagtekens bij de moralistische geschiedschrijving van Loe de Jong (tot 1979 directeur van het RIOD. Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie).

Zelf was ik als kandidaatsstudent  Nieuwe en Nieuwste geschiedenis in 1983  nog helemaal verstrikt in dit moralistische denken, überhaupt in het me rekenschap geven van de collaboratiegeschiedenis van mijn ouders waarmee ik opgezadeld was. Met dit taboe kon ik niet uit de voeten, als ik het al ervoer als een taboe of wist dat ik dat zo kon noemen.

Nu ik eraan denk, duikt deze gebeurtenis opeens in mijn herinnering op. Ik volgde in 1984 een werkgroep over dienstmeisjes bij Jannie Poelstra. Zij was aan de UVA  één van de eerste vrouwelijke docenten die het vak vrouwengeschiedenis op de kaart zette. In haar aanpak, volgend uit de focus van de Tweede Feministische Golf, dat het persoonlijke politiek is, vertelde ze tijdens één van de werkgroepen, tenminste als mijn herinnering klopt, dat haar moeder tijdens de oorlog verkering kreeg met een Duitse soldaat.  Na het college voelde ik de behoefte om te vertellen over mijn moeder die in 1939 in Rotterdam dienstmeisje werd bij een joodse tandartsfamilie. Opa was sinds 1931 overtuigd lid van de NSB. Iemand anders was ook naar Jannie’s bureau gelopen. Zij was de kleindochter van Tobie Goedewaagen, de nationaalsocialistische Secretaris Generaal op het door de Duitsers opgerichte Departement van Volksvoorlichting en Kunsten en de voorzitter van de Nederlandsche Kultuurkamer. Wat vertelde zij? Ik weet het gewoon niet meer. We zijn na de werkgroep niet meer met elkaar omgegaan. Ik denk dat we toen weinig gemeenschappelijks hadden om te delen. Zij, de kleindochter van een wetenschapper, ik, dochter van een vader, die van 1942 tot 1945 Schütz (soldaat, laagste in rang) was bij de SS. Alhoewel, het ging in de werkgroep juist toch over onze moeders?  Bij het ongemakkelijke gevoel dat altijd ergens in mijn lichaam bezit van me nam als er over de oorlog gesproken werd, kwam ik niet. En zij? Geen idee. Ik durfde  er in een openbare ruimte ook niet  echt over te praten. Toen ik in 1985 voor mijn scriptie, die ging over een schrijfster die collaboreerde, onderzoek moest doen in het NIOD, was ik de hele tijd bang dat ik ontmaskerd zou worden en de toegang geweigerd zou worden als dochter van één van die “verwerpelijke lieden”. Het ironische van mijn scriptieonderwerp was  dat ik de schrijfster Jo van Ammers-Küller had gekozen om de romantrilogie over vrouwenemancipatie die ze in de jaren twintig schreef, te onderzoeken. Ik wist helemaal niet dat ze had gecollaboreerd. Zo kwam die verdomde oorlog toch weer op mijn pad.

In 2015 was  ik bij de VU aanwezig bij de promotie van Ewart Bosma die zijn proefschrift verdedigde over de houding die bevindelijk gereformeerden innamen tegenover de Duitse bezetter.

https://historiek.net/een-ongemakkelijke-verhouding-gereformeerd-geloof-en-nationaalsocialisme/50777/

Ik had Ewart leren kennen, nadat hij had gereageerd op het artikel over mijn vader in de NRC (9 januari 2010). Tijdens de receptie sprak ik opnieuw Hans Blom, die in 1987 mijn masterbul had uitgereikt en vertelde ik hem over mijn vadersporen-onderzoek. Hij raadde me aan me vooral ook in mijn vaders geloofsachtergrond te verdiepen, om zo zijn oorlogswerkelijkheid te doorgronden.

In 2017, tijdens mijn bezoek aan Estland, was de reactie van de directeur Ivika Maidre van het Vaivara Sinimaëd Museum na het aanhoren van mijn verhaal over hoe mijn vader bij het Vrijwilligerslegioen belandde, totaal anders: “Ah love and women!”

 

22 maart 2019

Shell Shock: De kracht van verhalen

shell shock brochure

Op 22 maart 2019 zag ik in Eye Filmmuseum in het openingsprogramma Shell Shock: De kracht van verhalen de documentaire “Atomic soldiers” van Morgan Knibbe. Ik kreeg kippenvel van de intense interviews met oud veteranen die soms voor het eerst van hun leven uit gebreid verhaal deden over wat ze hadden meegemaakt toen ze als dienstplichtig militair mee moesten doen met atoomproeven. Je beseft dat ze door hun ervaringen, de explosies, geluiden die door merg en been gingen, de verblindende lichtflitsen, de chaos, de angst, ze daarna nooit meer hetzelfde zouden zijn. Ze hadden teveel psychische en fysieke schade opgelopen. Door de Amerikaanse overheid, die wist van de enorme schade van de atoombommen van Hiroshima en Nagasaki, werden ze gebruikt als proefkonijn en hun verhaal is in de doofpot gestopt. Zie ook link: How the U.S. Government Used Veterans as Atomic Guinea Pigs | Op-Docs https://www.youtube.com/results?search_query=atomic+soldiers+documentary

Ik volg Het Shell Shockprogramma, omdat ik me aangesproken voel tot de subjectieve manier waarop programmamakers dit onderwerp benaderen. Het gaat niet om waarheidsvinding of over oordelen: “Shell Shock opent de filmzalen voor de persoonlijke verbeelding van de angst, woede en verwarring na de shock”.

https://www.eyefilm.nl/themas/shell-shock-de-kracht-van-verhalen

Omdat ik, na de dood van mijn ouders (vader overleed in 1994 en moeder in 2007) open wilde zijn over de oorlogservaringen van mijn vader als SS-soldaat, vertelde ik mijn herinneringen aan de NRC in 2010. Het artikel besluit met mijn intentie: “Ze wil alles vertellen, correct en compleet. Ze durft het aan”. Ik ontving via de redactie van NRC een aantal reacties, waaronder deze:

“Beste redactie, ik wil hierbij even reageren op het artikel “over de oorlog werd gezwegen” in uw weekblad van 9-15 januari j.l.
Hendrik Smit werd in 1942 als SS-er uitgezonden naar het Oostfront, maar hij weigerde om mensen te doden. Een loffelijk streven, en ook heel uniek: bij mijn weten is hij de enige SS-er waarvan dit gedoogd werd. Nóg unieker is zijn prestatie om zich in maart 1945 in Berlijn over te geven aan de Amerikanen. Voorwaar: een dubbel unicum!”

Bijna 10 jaar later en het nodige spitwerk, realiseer ik me steeds meer dat ik de feiten nooit zal kunnen achterhalen, ook al probeer ik met alle macht gebeurtenissen te reconstrueren. Eén ding is  in mijn gevoel wel hetzelfde gebleven. Berichten over oud-SS’ers roepen irritatie op.

Op 20 februari 2019 opent het NOS journaal met dit item: “ Tientallen oud-SS’ers in Nederland krijgen uitkering uit Duitsland” https://www.youtube.com/watch?v=T3VkkxS1S78

Aan het woord komt historicus Cees Kleijn. Hij heeft voor mijn onderzoek veel betekend. Hij heeft een gigantische archief aangelegd en hij heeft me onder andere informatie kunnen geven over de verloofde van mijn moeder die in 1943 aan het Oostfront sneuvelde.  Uit zijn onderzoek blijkt dat veel oud-SS’ers hun oorlogsverleden geheim hebben gehouden, ook voor hun familie. Hij verbaast zich hierover:  “Er zijn 10.000 kinderen en kleinkinderen van deze groep mensen  die leven in Nederland en die geen enkel idee hebben (…) En dat is iets heel geks (…) dit  collectief zwijgen en dat dit stukje verleden wordt weggemoffeld”. Ik begrijp wel waar dit collectieve zwijgen vandaan komt .

Arjen Fortuin geeft in zijn Rubriek ZAP (NRC 21-2-2019) dat irritatiegevoel weer:  “Nieuws was het niet, wel pijnlijk – voor naziberichten wordt altijd wel een plaatsje vrijgemaakt.” Waarom zou je als verliezer, en in mijn geval als ik kind van een verliezer, ook je mond open doen? Ik vecht nog steeds met dat gevoel. Berichten over verliezers zijn niet leuk. Toch geloof ik dat openheid meer oplevert voor mezelf, in termen van acceptatie van mijn geschiedenis en voor de geschiedschrijving, omdat een genuanceerd beeld meer oplevert.

Januari 2011

In mijn onderzoek laat ik me onder andere inspireren door drie teksten van historicus Willem Frijhoff.

  • Herinneringen als kunst van vergeten. Hoe wij al dan niet bewust onze geschiedenis selecteren
  • Plaatsen van herinnering: van Frankrijk via Nederland naar Europa. Succes en nut van een concept.
  • Religie en de mist van de geschiedenis. Hoe behoefte aan herinnering onze cultuur transformeert.

De teksten zijn opgenomen in deze in 2011 verschenen bundel:
Willem Frijhoff

Als prominent vertegenwoordiger van de cultuurgeschiedenis in Nederland, beschouw ik zijn visie als richtinggevend in  mijn onderzoek .  Ik vind het inspirerend dat hij er op wijst dat herinneringscultuur en geschiedenis niet alleen gaan over brede ontwikkelingen, belangrijke personen en grote daden, maar ook over gewone mensen en hun dagelijks leven.  Het geeft mij de moed en de kracht om, als drager van onze herinnering, mijn vaders stem en mijn stem te laten horen.

Frijhoff wijst me ook de weg naar  het begrip “sublieme historische ervaring”, in de theoretische geschiedschrijving geïntroduceerd door historicus Frank Ankersmit. Hij gaat in tegen de heersende opvatting in de geschiedwetenschap dat geschiedschrijving afstandelijk en objectief hoort te zijn. In zijn visie voegt de historische ervaring iets toe en overwint het de tijd.

In zijn tekst Religie en de mist van de geschiedenis geeft hij twee definities van religie en biedt hij handvatten om religieuze identiteit en religieuze cultuur en haar (symbolische) gedragsvormen procesgericht te analyseren en te beschrijven. Voor mijn onderzoek is dit belangrijk. Mijn vaders handelen werd voor een groot deel bepaald door de religieuze cultuur van de bevindelijke gereformeerden, waarin hij opgroeide. Daarnaast is zijn relatie en interactie met de maatschappelijke historische context van groot belang; de ontwikkelingen na de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van de fascistische beweging en de economische crisis in de dertiger jaren.

Voor mijn onderzoek maak ik ook gebruik van de oral history methode. Schriftelijke en persoonlijke herinneringen zijn subjectieve bronnen; herinneren is een proces. Herinneringen kunnen veranderen, ontwikkelen en zich aanpassen aan ruimte en tijd. Inherent aan herinneren is vergeten. Zo kan een eenduidige geschiedschrijving ontstaan met zwart-witte overwinnaars- en slachtofferbeelden. De geschiedenis die ik schrijf is mijn verhaal, visie, analyse en beelden. Ik streef er wel naar mijn methoden met kritische blik en zorgvuldigheid te hanteren. Met andere woorden, het licht te laten schijnen op meerdere kanten van het verhaal en op het aanbrengen van nuanceringen. Om hiertoe te komen wil ik bij mezelf nagaan hoe mijn eigen geheugen heeft gewerkt in het omgaan met historische feiten.

Om te voorkomen dat ik teveel verzand in eindeloos onderzoek naar de historische context, gebruik ik vooralsnog de papersessie methode die ik bij een managementcursus leerde. In losse termen schets ik vaders familie-achtergrond en het tijdperk waarin hij opgroeide.

  • 1900-1930 papersessie

Ik heb er twee citaten bij gezet.

“Give me the child until he is seven and I’ll give you the man”. Op deze uitspraak baseerde de Britse filmmaker Michael Apted zijn Up series. Vanaf 1964 volgt hij de levens van veertien Britse kinderen uit verschillende sociale klassen. Hij start op hun zevende jaar en doet elke zeven jaar verslag van hun ontwikkeling. Het doel was om te laten zien dat er in Groot-Brittannië weinig mogelijkheden waren om in een andere sociale klasse terecht te komen. Ik zag de serie, door de VPRO op televisie uitgezonden, in 1986. De geportretteerden waren toen 28 jaar. Ik vond het een fascinerende en steengoede serie. Ik was van dezelfde leeftijd en een aantal portretten raakten me emotioneel. Ik herkende mezelf in de steile weg die ik bewandelde van arbeidersking richting middenklasse-professional. Als kind, die de invoering van de Mammoetwet in 1968, als tienjarige meemaakte, had ik de mogelijkheid om te gaan studeren. In het tijdperk waarin vader opgroeide was het spreekwoord ‘wie voor een dubbeltje is geboren, wordt nooit een kwartje’ eerder regel dan uitzondering. Maar hij was, geboren in 1912, ook een kind van de nieuwe Twintigste eeuw met zijn snelheid, techniek, auto’s, reizen en optimisme. En hij droomde over de American Dream.

In 1983 kreeg ik op weg naar mijn kandidaats geschiedenis, een hoorcollege van Maarten Brands. In mijn herinnering was het een inleiding tot de geschiedenistheorie en filosofie. Ik vond het moeilijke stof en begreep er heel veel niet van. De uitspraak van Karl Marx heb ik altijd onthouden en vrij vertaald: “mensen maken de geschiedenis, maar ze kunnen niet kiezen voor de omstandigheden”.