“En de boer hij ploegde voort”

Zondag 10 maart 2019 herdenk ik de vijf-en-twintigste sterfdag van mijn vader. Met weemoed kijk ik naar deze dierbare foto die tot de dood van mijn moeder in 2007, in haar huiskamer stond. Hij is gemaakt in juli 1985. Vader, met zijn gebruinde buitenhoofd, ziet er ontspannen uit. Hij is op zijn geliefde volkstuin aan de Benedenkerkseweg  in Stolwijk langs de rand van de sloot bezig met stekeltrekken. Lekker in zijn hemdsmouwen, werkbroek met bretels en op klompen. Hij is twaalf jaar met pensioen, maar hij gaat nog vaak een paar koeien melken bij een veehandelaar. Hij zegt dat het zijn handen lenig houdt.

Bij het zien van deze foto, ontlokt het aan zijn broer in Nieuw-Zeeland, in 1945 vertrokken en sinds 1968 niet meer terug geweest in Nederland, een nostalgische opmerking over het goede boerenleven. Of hij toen deze dichtregel van Werumus Buning citeerde, waag ik te betwijfelen. Werumus Buning die in 1935 de Ballade van den boer schreef, romantiseerde het boerenleven en de boer als plichtsgetrouwe en brave werker.

In 1935, vertrok vader uit zijn ouderlijk huis en werd landarbeider bij een boer in Bergambacht, een dorp in de Krimpenerwaard. Samen met één van zijn broers, kreeg hij bij deze boer kost en inwoning.  Vader vertelde ons dat het ook nodig was dat ze vertrokken, want er was met het nog steeds uitdijende gezin – in 1922 werd het twaalfde kind geboren -, te weinig ruimte in het ouderlijk huis in Gouderak.

Vader was al sinds zijn elfde jaar, na de dood van zijn eigen moeder -bij het achtste kind gestorven in het kraambed-, boerenknecht en hij droomde van een ander leven. Hoe zou hij dat voor elkaar krijgen met alleen maar vier jaar lagere school? In 1930 was hij als dienstplichtig militair zeven maanden in Den Haag en in 1932 voor een tweede keer. Daar zag hij zijn kans, zo bezien een logische voor een jongen zonder scholing. Het verhaal gaat dat opa hem in 1930 eigenhandig kwam ophalen, omdat hij niet meer terug wilde komen. Tijdens zijn diensttijd kwam hij ook in aanraking met het fascistische gedachtegoed dat hem aansprak.

In 1985 was ik net begonnen met mijn zoektocht naar vaders oorlogservaringen. Ik had altijd een goede band met hem gehad. Zonder veel woorden te hoeven zeggen, was er dat gevoel van vertrouwen. Vader in zijn luie stoel, ik op de leuning van de stoel, samen een kruiswoordpuzzel oplossend. Maar nu wilde ik verder gaan en moest ik ongemakkelijke vragen gaan stellen. Hij had altijd gezegd geen fascist te zijn geweest. Ik had ook nooit uitspraken van hem gehoord die daarvoor het bewijs leverden. Toch twijfelde ik.

Overigens was Werumus Buning – in de oorlog lid van de kultuurkamer- het soort dichter waar vader van hield, zoals hij ook hield van streekromans die verhaalden over de wereld waarin hij opgroeide en die hij door en door kende. Hij las ook Lev Tolstoy, Upton Sinclair, Friedrich Dürrenmatt, Gotfried Bomans en de oorlogsromans Stalingrad en 0-8-15 die ik van hem erfde. Zoals ik ook de gezinsbijbel erfde waaruit hij elke avond, na het avondeten voorlas, zoals dat hoorde als je deel uitmaakte van de Gereformeerde Bond.